|
Oud
papier roest niet
Harry Prenger
23 augustus 2004
Untitled Document
Aantal reacties: 8
|
|
Popmuziekblad Opscene verscheen vanaf 1987 tweemaandelijks
en hield het tot ieders verbazing meer dan tien jaar vol. Wat heet,
toen Opscene zijn oplage en abonneebestand na dertien jaar geploeter
in de marge eindelijk zag verhogen, draaide uitgeverij De Papieren
Tijger doodleuk de geldkraan dicht. Exit Opscene. Sindsdien is het
wachten geblazen. Wachten op een waardige opvolger, een landelijk
verschijnend Nederlands popblad waarin de zelfkant van de popmuziek
op vakkundige wijze wordt belicht. Het onregelmatig verschijnende
Fake van oud-Opscene redacteur Wim van den Herik, leidt vooralsnog
een vrij geruisloos bestaan. Als het überhaupt nog bestaat.
SLIJTAGESLAG
Opscene dus. Vanaf het derde nummer in 1988 tot de onverwachte zwanenzang,
najaar 2000, was ik als schrijvend medewerker betrokken bij het blad.
Meer dan honderd albums werden door mij gewikt, gewogen, en naar de
tweedehands platenboer versleept. Enkele tientallen interviews deed
ik gedurende die dertien jaar, waarin ik ook nog vier hoofdredacteuren
versleet. Af en toe vulde ik de door mij geïnitieerde column
Oplawaai (ja, ja, aan woordspelingen geen gebrek, wat dacht u van
een rare platenrubriek genaamd Opstipatie?). De hoofdredacteuren in
kwestie, Erik van den Berg, Wim Niehaus, Koen Poolman en Peter Kuiters
speelden het toch maar mooi klaar zes keer per jaar een nummer van
de stencilmachine, en later zelfs de persen te laten rollen. Geen
sinecure, er kwam nogal wat bij kijken. Een hoofdredacteur ontging
weinig tot niets, zoals blijkt uit de notulen van de coördinatievergadering
van 9 september 1992:
• Wanneer Opscenemedewerkers in een winkel
komen en Opscene’s zien, willen zij er dan op letten of het
blad goed zichtbaar is? Het komt namelijk voor dat men de Opscene
achter de toonbank in een schap legt (bij de porno) waardoor de
verkoop in zo’n winkel niets is.
• De Melkweg wil volgend jaar wel weer
een feest met Opscene; de drankomzet was namelijk ongekend (hoog).
Feest was een succes. Veel betalende bezoekers.
Maar een Opscene-hoofdredacteur werd hoofdzakelijk
platgebeld door medewerkers en hun smeekbeden om promo-cd’s.
Of op al dan niet dreigende toon over stukken die per se geplaatst
moesten worden. Was de zelfkritiek bij de medewerkers soms ver te
zoeken, de bijdragen die wel werden geplaatst waren vaak primeurs;
artikelen en interviews met bands waar destijds niemand over schreef.
Wat dacht u hiervan? Nirvana, Bettie Serveert, Underworld, Soulwax,
The Offspring, Garbage, dEUS, Guided By Voices, Calexico. Echter,
veel bands waar Opscene over schreef ontstegen ondanks het nauwelijks
te temperen enthousiasme van de scribent, amper de status van voetnoot.
Motocaster? Iemand?
WURGGREEP
Mijn meest gedenkwaardige interview werd nooit gepubliceerd, laat
staan geschreven. Het voltrok zich in de kleedkamer van zaal Tivoli
in Utrecht. Daar ontmoette ik de groep Boss Hog (u weet wel, de band
van de vrouw van Jon Spencer). Hoezeer ik ook mijn best deed, het
interview wilde maar geen interview worden. Wegens omstandigheden
die helemaal niets met Boss Hog van doen hadden liet ik het interview
tot toenemende ergernis van de bandleden en Jon Spencer (kaken stijf
opelkaar, boekdelen sprekende oogopslag), volledig uit de hand lopen.
Kritische vragen zag de band als een verkapte oorlogsverklaring. Bovendien
had ik ze een half uur laten wachten aangezien de door mij opgetrommelde
fotografe, dat zul je net zien, pech onderweg kreeg. Maar ja, het
was niet zomaar een fotografe, nee, nee, nee, het betrof hier de zinnenprikkelende,
hyperwispelturige fotografe waar ik een intieme relatie mee had, ondanks
het feit dat ze al jaren met haar vriend samenwoonde. Tja, zo gaan
die dingen. Mijn verliefdheid bleek een wurggreep die een fatsoenlijke
interviewvoorbereiding in de weg zat. Achteraf lach je erom.
Gelukkig verscheen Opscene maar een keer in de twee
maanden. Het was tenslotte vrijwilligerswerk en die dekselse promo-cd’s
stapelden zich maar op, om maar te zwijgen van de interviewverzoeken.
Ik heb nog net de periode meegemaakt van promotie-exemplaren per vinyl.
En zoals zoveel beginnende en enthousiaste scribentjes kon ook ik
de verleiding niet weerstaan die lp’s gewoon zelf maar op te
vragen bij de platenmaatschappij. Gratis vinyl was en is nou eenmaal
onweerstaanbaar. Zo heb ik in een mum van tijd mijn vinylcollectie
flink opgeschroefd. Achteraf lach je erom.
MENSELIJKE TREKJES
Een aantal medewerkers beschouwde Opscene als leerproces, opmaat naar
liefst een betaalde schrijversjob. Velen kwamen en gingen, verdwenen
spoorloos, of bleven noodgedwongen tot het bittere einde. Ook waren
er de onvermijdelijke ruzies en meningsverschillen, vaak om de kleinste
dingen. Over een doos platen die ik als presentje van een distributiefirma
mee kreeg, welke door hoofdredacteur Niehaus met overslaande stem
als promo’s werden bestempeld. Zij het wel pas na twee maanden
toen ze al lang en breed bij mij in de kast stonden. Tja, popscribenten
moet u weten, vertonen menselijke trekjes. In dertien jaar Opscene
heb ik heel wat van die menselijke trekjes voorbij zien trekken, in
uiterst kleurrijke variaties. Van een hysterische recensiecoördinator
(Roy Mantel), fotografen die ook zo nodig wilden recenseren, tot een
medewerker met een verwarrende hormoonhuishouding. Ach, het scheen
er allemaal bij te horen, enzovoorts, ad absurdum. Achteraf lach je
erom.
GELD
Natuurlijk was er kritiek op Opscene, niet in de laatste plaats afkomstig
van de eigen medewerkers. Opscene stelde zich minder afhankelijk op
dan het zich liet aanzien. Toen begin jaren negentig het Nirvana-effect
popminnend Nederland in zijn greep hield profiteerde ook Opscene.
Opeens adverteerden grote platenmaatschappijen, waaronder Warner,
met paginagrote advertenties. Daar waren dan wel voorwaarden aan verbonden,
zoals het interviewen van aan Warner gelieerde bands (Lemonheads,
Helmet). Knarsetandend merkte ik hoe Opscene de onafhankelijkheid
opzij zette voor een, oké toegegeven, noodzakelijke bron van
inkomsten. Al was het van tijdelijke aard. Met de zelfmoord van Kurt
Cobain ebde de aandacht voor de grunge-gitaarbands langzaam maar zeker
weg. Bakermat Seattle werd weer die anonieme, regenachtige stad en
de major platenmaatschappijen dumpten de aanvankelijk met open armen
ontvangen gitaarbeloften. Geplande reclamecampagnes werden schielijk
ingetrokken, zodat er nog meer pagina’s vrij kwamen voor vaste
adverteerder De Konkurrent. Nu met kleurenadvertenties! Verdomd, soms
leek Opscene het huisblad van de sympathieke Amsterdamse platenboer.
Achteraf lach je erom.
 |
| |
Hoofdredacteur Peter Kuiters zette er de schouders
flink onder, Opscene onderging de zoveelste lay-out met dito logo
en bij elk nummer stopten we een gratis verzamel-cd. Dat die cd’s
niet om aan te horen waren is een ander verhaal. Vol zelfovertuiging
ploeterden we voort. Regelmatig stonden er goede stukken in Opscene,
onder meer van Erik Quint en Waldemar Noë. Opscene werd een blad
om trots op te zijn. Maar helaas, te vroeg gejuicht, het mocht allemaal
niet baten. Opscene kostte de uitgever te veel en leverde te weinig
op. Harde feiten waar wij vrijwilligers niet om heen konden.
Soms blader ik met weemoed door een nummer van Opscene.
Ik zal niet beweren dat vroeger alles beter was, integendeel, maar
een Opsceneloos bestaan, tja, wat zal ik zeggen, het is toch allemaal
wat minder. Met die fotografe is het trouwens nooit wat geworden.
In alle opzichten.
zie ook:
http://www.stelling.nl/pt/opscene.html
Top