|
|
|
|
Rammelende
botten in gure tijden.
Monica Dols
7 oktober 2004
Untitled Document
Aantal reacties: 1
|
|
Geef me mijn vel terug. Je hebt het van me afgepeld,
laag voor laag. Met de laatste restjes van de laatste laag probeer
ik mezelf nog te bedekken. Niet dat dit erg succesvol is. Erger dan
naakt sta ik hier en probeer mijn bonzend hart te negeren. Mijn organen
verschuilen zich nog achter een rij botten die er al verweerd beginnen
uit te zien. En zo oud ben ik niet eens.
Als ik loop rammelen ze zodat iedereen het hoort en bij het langslopen
werpt men medelijdende blikken. Uiteraard werpt niemand me iets toe,
steekt niemand een hand uit. Erger als een melaatse, niet eens een
aalmoes. Geen man die mijn knoken voor lief neemt en de stukjes opraapt
van de nog afbladderende stukjes huid die mij resten. Geen arm om
mij heen, niet eens een lichte streek van het topje van een vinger
over mijn geschonden wang.
Vaak heb ik me bedacht wat eenzaamheid moest zijn maar dit is het
dus. Dit kale, puur kaal zijn, van buiten en binnen.
Geef me mijn hart terug. Je hebt er een artificieel exemplaar voor
teruggeplaatst. Het bonst en pompt maar het voedt niet. Het kan niet
verwarmen zoals mijn vorige deed. Wat moet je nog met dat tweedehandse
orgaan? Jij hebt het niet meer nodig, buiten het koelen van je woede
en het zoeken naar een geschikte prullenbak.
Nu kan ik het nooit meer geven aan een ander, ook al zou hij erom
smeken. Misschien ben jij het ook al eens kwijtgeraakt en kun je niet
anders. Misschien ben je gewoon wreed.
Ik heb het jouwe in mijn hand gehad. Ik heb het gekoesterd. Nooit
was het te zwaar om te dragen, het was geen moeite maar liefde.
Mijn hart kan niet zwaarder geweest zijn, al was het dikwijls van
somber gemoed. Het verwarmde je toch, het leefde met jou mee.
Geef me mijn leven terug. Dit is het niet. Hoe kan ik dit bibberende
lichaam, althans wat er van is overgebleven, voort laten leven? Het
voelt alsof ik elk weggereten stukje moet opvullen met watjes. En
iedereen weet dat dat niet erg solide is. Als het regent worden ze
week en zwaar en lopen ze als tranen door alle kieren heen. Als het
waait ben ik ze binnen vijf minuten verloren en even kaal als voorheen.
Ze zijn zacht maar missen warmte, ze absorberen vuil waarover ik in
overvloed beschik maar nestelen zich er voor eeuwig in zodat ik het
nooit meer echt zal kwijtraken.
Mijn leven is van mij, ik heb het aan jou gegeven. Je hebt het aangeraakt,
aangetast, aangevreten. Vervolgens ingeslikt en uitgespuugd. Maar
nooit naar mij terug.
Ik ben te eerlijk, de jouwe heb ik nooit echt gehad. Ik wist dat je
alleen te lease was met garantie tot aan de deur.
Niets van dit alles zul je retourneren, niets van dit alles zie ik
ooit nog terug. Ik zal het allemaal zelf moeten doen. Elk stukje opnieuw
boetseren en hopen dat het beter lukt dan de vorige keer. Niet dat
ik daar nu al hoop op heb, eerst moeten mijn botten open en bloot
de winter door. Goed bevriezen en de gure wind alles door elkaar laten
rammelen. En als de lente arriveert zal ik je een memo sturen; geef
me niks meer terug, ik heb het niet meer nodig.
Top
|