|
Het Platenverhaal van Captain Beefheart & The Magic
Band |
|
|
Puin
Ruimen
Harry Prenger
10 november 2004
Untitled Document
Aantal reacties: 7
|
|
Dat
er van Captain Beefheart & his Magic Band twaalf platen zijn verschenen
mag gerust een klein wonder heten. Captain Beefheart was geen man
van muziek, maar van ideeën en theorieën. Gelukkig beperkte
de Magic Band zich niet tot het slaafs begeleiden van hun excentrieke
en wispelturige frontman; zelfs Beefhearts vaagste aanwijzingen transformeerden
zij tot onnavolgbare muzieknoten en akkoordenschema’s.
Die aanwijzingen bestonden uit cryptische woordspelingen, flarden
pianoklanken, of het geluid van een rollende asbak. Toch zijn veel
muziekliefhebbers het erover eens dat Captain Beefheart tot de genieën
van de popmuziek gerekend mag worden. Hijzelf zal de laatste zijn
die deze stelling in twijfel trekt, al is hij veel verschuldigd aan
zijn begeleiders, die hij zo vaak het bloed onder de nagels vandaan
haalde.
15 januari 1941.
Donny van Vliet wordt geboren in Glendale, Californië.
Begin 1959. In een leeg klaslokaal van de Antelope Valley Junior College
in Lancaster, spelen Frank Zappa, zijn broer Bobby en klasgenoot Donny
van Vliet al lolbroekend Lost In A Whirlpool. Frank speelt pas zes
maanden gitaar, Van Vliet parodieert een blueszanger. Later maken
ze een idioot 8mm-filmpje waarin een van de personages Captain Beefheart
heet. Vanaf dat moment de bijnaam waaronder Don van Vliet zijn muzikale
avonturen op de mensheid loslaat.
HYPERVENTILATIE
Halverwege de jaren zestig maken Captain Beefheart & the Magic
Band, Lancaster en omgeving onveilig met ruige versies van Rolling
Stonesnummers. Pas met de opmerkelijke Bo Diddleycover Diddy Wah Diddy
trekken ze de aandacht van platenmaatschappij A&M. De songs die
de groep vervolgens aanlevert voor een eerste lp vallen bij platenbaas
Jerry Moss echter niet in goede aarde. Hij vindt de muziek “te
negatief”. Producers Bob Krasnow en Richard Perry weten er wel
raad mee en bieden aan de plaat voor het kleine Buddah Records te
produceren. Krasnow is er van overtuigd dat Captain Beefheart &
the Magic Band net zo beroemd worden als de Rolling Stones. Van het
Buddah-label ontvangen ze een voorschot van duizend dollar. Vlak voordat
de opnamen beginnen, vertelt Krasnow in opdracht van Beefheart aan
gitarist Doug Moon dat zijn gitaarspel niet meer past binnen de groep.
Enter Ry Cooder, de jonge, talentvolle gitarist van The Rising Sons,
aanvankelijk ingehuurd om de songs aan te scherpen.
Ondanks het typische
jaren zestig geluid is Safe As Milk zo’n plaat waar de tijd
nooit vat op heeft gekregen. Cooders gespierde gitaarriffs zijn het
speerpunt voor elementaire rock & roll en rhythm & blues;
recht vooruit, opzwepend en doortastend. Beefhearts Howlin' Wolfherinterpretatie
is dan al in schroeiende omvang aanwezig, evenals diens typerende
werkwijze waarin toeval, intuïtie en improvisatie om voorrang
strijden. Slachtoffer is de amper achttienjarige drummer John French.
Aan hem de twijfelachtige eer van de op losse papiertjes genoteerde
woordassociaties een samenhangend verhaal te maken.
Naast de onvermijdelijke
blues- en soulinvloeden is Safe As Milk een van de eerste popplaten
waarop een theremin te horen is (een klankkast waaruit muziek wordt
voortgebracht door met handbewegingen langs een soort antenne te bewegen).
Electricity, het laatste nummer van kant één, maakt
veel indruk. Beefhearts klagende verlenging van het titelwoord en
het onheilspellende geluid van de theremin zorgen dat je het nummer
na een keer horen niet snel meer vergeet. Om de plaat onder de aandacht
te brengen wordt een lokale promotietour op touw gezet.
Gestoken in de gangsterkostuums van de hoesfoto maakt de groep zich
op voor een try-out concert voor het Monterey Popfestival, maar tijdens
de rit krijgt Beefheart het te kwaad: van pure zenuwen breekt hem
het angstzweet uit. Cooder probeert hem nog op zijn gemak te stellen
met de opmerking dat het een aanval van hyperventilatie is. De geruststelling
is echter van korte duur. Eenmaal op het podium blijft Beefheart midden
in de krijsende uithalen van Electricity stokstijf staan. Hulpeloos
kijkt hij om zich heen, draait zich om, loopt van het podium en laat
zich boven op producer Krasnow vallen. John French: “vanaf dat
moment zouden we altijd een avant-gardeband zijn zonder ooit een cent
te verdienen”. Cooder is de eerste die zijn biezen pakt en na
enkele audities blijkt ene Jeff Cotton een meer dan waardige opvolger.
Beefheart bedenkt intussen nieuwe ideeën voor songs die hij wil
uitbrengen op een dubbel-lp genaamd It Comes To You In A Plain Brown
Wrapper. Zover komt het echter niet.
KALE BLUES
Terwijl in 1968 Beefheart en zijn mannen door Europa toeren, ziet
Krasnow zijn kans schoon om het bedoelde dubbelalbum tot een enkele
lp te reduceren. Aan de nummers voegt hij bovendien een modieus klinkende,
effectrijke mix. Tegen de zin van Beefheart wordt deze licht verteerbare
versie als Strictly Personal uitgebracht op Krasnows Blue Thumb-label.
“De muziek op die plaat glanst als een diamant in de modder”,
zou Beefheart er later over zeggen.
Het duurt tot 1994 eer de originele uitvoeringen rafelige blues blootleggen,
maar ook deze cd-heruitgave kan niet verhullen dat Strictly Personal
een nogal onaffe indruk maakt. Desondanks zijn de invloeden evident:
Gimme Dat Harp Boy steunt zwaar op Willie Dixons Spoonful en Death
Letter van Son House vormt losjes de basis voor Ah Feel Like Ahcid.
Veel andere nummers
en outtakes van de Strictly Personal sessie blijven jaren op de plank
liggen, totdat een employee van Buddah Records ze vindt en ze in 1971
worden uitgebracht op de lp Mirror Man. Op die plaat dus niet het
achterop de hoes beloofde lokkertje van liveopnamen uit 1965. Mirror
Man heeft veel weg van een zwaar uit de hand gelopen, hallucinerende
jamsessie waarin de blues binnenstebuiten wordt gekeerd. Andere opnamen
en versies zijn te vinden op de albums I May Be Hungry But I Sure
Ain’t Weird (Sequel 1992) en The Mirror Man Sessions (BMG/Buddha
1999); een heruitgave die grote indruk maakt omdat hij sterk doet
denken aan de destijds afgeketste dubbel-lp.
 |
| |
MIJLPAAL
Door het gedoe met Strictly Personal zijn Beefheart en zijn trouwe
kompaan John French een ervaring rijker geworden. Producers worden
aan de kant gezegd, bandleden vervangen. Een kennismaking met enkele
lokale muzikanten zorgt niet alleen voor wederzijdse inspiratie, maar
vormt ook de aanloop voor wat zal uitgroeien tot een mijlpaal in de
muziekgeschiedenis. Van de partij zijn Bill Harkleroad (gitaar) en
Mark Boston (bas). Zij vervangen oudgedienden Jeff Handley en Alex
St. Claire. Wie ook mee mag doen is Beefhearts neefje Victor Hayden,
hij speelt toevallig basklarinet. Langzamerhand ontstaat een Magic
Band met een wonderlijk experimenteel geluid. Een band dat zijn naam
alle eer aandoet. Ter voorbereiding van een later te verschijnen dubbelalbum
neemt het bonte gezelschap zijn intrek in een oud pand in Woodland
Hills. Tijdens de repetities, die acht maanden in beslag nemen lopen
de spanningen hoog op. Wanneer er niet wordt gespeeld, wordt er van
mening verschilt en geruzied. Er is een praatdag. Er is een dag om
de meningsverschillen bij te leggen. Er is een dag waarop blikken
kunnen doden, weer een praatdag, enz. “These were not happy
campers, folks”, vat French zijn verblijf samen. Beefheart voelt
zich niet altijd op zijn gemak tussen de jonge muzikanten. Van de
weeromstuit kiest hij de aanval als verdediging. Stelselmatig trakteert
hij ze op autoritaire opmerkingen en beledigingen. Sommigen knijpen
er even tussenuit om pas na een paar dagen weer terug te keren.
Na verloop van
tijd merken de jonge honden van de Magic Band dat ze met iets bijzonders
bezig zijn. Repetities zijn een uitdaging, iedereen doet extra zijn
best. Na acht maanden ploeteren duikt men de studio in. Daar vindt
een klein mirakel plaats. Beefhearts mannen hebben de nummers zo goed
in hun vingers dat ze binnen vier en een half uur een dubbel-lp op
band slingeren. Producer Frank Zappa kan het niet geloven: “What
do you mean it's done?” “The album's done, Frank,”
antwoordt Beefheart kortaf. Trout Mask Replica is een auditief monument:
ongrijpbaar, tijdloos en visionair. Jaren duurt het voordat de plaat,
in Amerika verschenen in januari 1969, erkend wordt als een van de
grote meesterwerken uit de muziekgeschiedenis. In het dan nog alternatieve
krantje Aloha van 20 februari 1970 struikelt een recensent bijkans
over zijn eigen enthousiasme, maar vergeet niet de plaat tot mijlpaal
uit te roepen.
 |
| |
Wie Trout Mask
Replica de eerste keer opzet, hoort een portie kluwen waar de honden
geen droog van brood van lusten. Pas na meerdere draaibeurten ontvouwt
zich een meesterwerk van caleidoscopische proporties, waarin elke
noot keurig op zijn plaats valt. Trout Mask Replica bevat blues die
uit het lood is geslagen; ritmes die in en uit het metrum lopen; fonetisch
sprechgesang, en, zo lijkt het althans, ondersteboven gespeelde schema’s
die in de verte doen denken aan freejazz. Eens in de zoveel tijd moet
je deze plaat gewoon draaien om orde te scheppen in de chaos, om de
omgeving te ‘reinigen’.
In 1991 blikt Beefheart er op zijn eigen cryptische wijze op terug:
“ik wilde het denkproces in allerlei richtingen opsplitsen zonder
dat ze met elkaar in verbinding zouden komen”. De repetitiestress,
Frank Zappa’s antiproductie (het niet corrigeren van de bandslip
in China Pig), de bijnamen van de muzikanten, de hoes met de afgehakte
vissenkop - tot op de dag van vandaag dragen ze bij aan de mythevorming
rond dit unieke album.
Alsof er niks
aan de hand is staat nog geen jaar later de opvolger op de rails.
Is Trout Mask Replica mede het werk van John French, tijdens de opnamen
van Lick My Decals Off, Baby mag gitarist Bill Harkleroad de associaties
van Beefheart in begrijpelijke muziektaal veranderen. Ondanks de licht
gewijzigde bezetting (met percussionist Art Tripp, zonder Jeff Cotton
die kiest voor de band MU), ligt het album in het verlengde van zijn
voorganger. Decals is als geheel zelfs compacter en eenduidiger, waarbij
timbres van de elkaar aanvullende gitaar en marimba nog het meest
opvallen. Bill Harkleroad excelleert in de instrumental One Red Rose
That I Mean, terwijl Beefheart oprecht boos klinkt in zijn terechtwijzing
“What this world needs is a two dollar room and a two dollar
broom”. De muziek is enerverend en complex in zijn over elkaar
buitelende en
ineenschuivende ritmes, eindigend in een kakofonie voor sopraansax:
opgeruimd staat netjes.
Beefheart: “De richting die deze muziek inslaat is er een van
totale afwezigheid. Het is geen muziek waar je over na kunt denken.
De muziek beweegt te snel. Op het moment dat je eraan denkt is het
net zoiets als naar een passerende trein kijken of auto’s tellen.”
Beefheart is in zijn nopjes met Decals. Het is de eerste plaat waarop
een van zijn schilderijen de hoes siert. De steevast met Van Vliet
ondertekende schilderwerken lijken beïnvloed door Willem de Kooning
en het Amerikaanse expressionisme van de jaren vijftig en zestig,
al beschouwt Beefheart Broadway Boogie Woogie van Mondriaan als een
van zijn favoriete schilderwerken.
 |
| Ghost Red Wire Don van Vliet |
1972. Gesoigneerd
pronkt Beefheart op de hoes van The Spotlight Kid, alsof hij wil zeggen:
“Welkom, dit is een plaat voor jullie allemaal”. Een aantal
nummers groeit uit tot klassiekers. I’m Gonna Booglarize You
Baby bijvoorbeeld, waarin Beefhearts bromstem een warm plekje in je
onderbuik zoekt. Toch is The Spotlight Kid niet veel meer dan een
overgangsplaat. De combinatie van relatief complexe arrangementen
over een bluesfundament loopt niet altijd even gesmeerd. Om nog maar
te zwijgen van het krakkemikkige geluid. “Prima songs, maar
als je er goed naar luistert hoor je voor vijftig procent Dons stem
en ergens op de achtergrond een beetje lawaai”, aldus Bill Harkleroad.
Datzelfde jaar
verschijnt Clear Spot, de ideale plaat voor Beefheart-beginners. “Hit
that long looming note”, kondigt Beefheart een gloeiende solo
aan van gitarist Harkleroad alias Zoot Horn Rollo, waarna duidelijk
wordt waarom Big Eyed Beans From Venus zo’n legendarisch nummer
is. Mede door de transparante productie van Ted Templeman bevat Clear
Spot makkelijk te volgen structuren en pakkende liedjes waar het spelplezier
van afstraalt.
COMMERCIE
Na de vernieuwingsdrang van de eerste platen volgt met Unconditionally
Guaranteed en Bluejeans & Moonbeams de ommekeer. Het managersduo
Andy en Augie Matino belooft gouden bergen door Beefheart een platencontract
aan te bieden bij het pas opgerichte Virgin Records. In 1973 verschijnt
Unconditionally Guaranteed op het dan nog progressieve Britse label.
Andy Martino bemoeit zich nadrukkelijk met de songarrangementen. Wie
de voorafgaande albums niet kent, hoort op zijn minst een degelijke
popplaat, met als hoogtepunt het bijna ontroerende This Is The Day.
Avant-gardisten Harkleroad, Mark Boston en Art Tripp draaien hun hand
niet om voor het spelen van een eenvoudige song, maar veel helpt het
niet; commercieel succes blijft uit en korte tijd later zetten de
managers de leden van de Magic Band buitenspel.
Hun inbreng wordt niet langer op prijs gesteld, omdat Beefheart een
mogelijk nog publieksvriendelijkere koers dient te varen.
Bovendien ontdekken de Magic Bandleden dat een deel van het toergeld
aan de strijkstok is blijven hangen. Aangezien Beefheart hier geen
pasklare verklaring voor heeft, keren ze hem in navolging van drummer
John French definitief de rug toe.
Zo komt aan een
jarenlange samenwerking met veel ups en downs en legendarische platen
abrupt een einde. Harkleroad (Zoot Horn Rollo), Tripp (Ed Marimba),
en Boston (Rockette Morton) richten Mallard op, waarvan twee aardige
rockplaten verschijnen. Het debuut van Mallard bevat een cover van
het instrumentale Peon, bij wijze van eresaluut aan Beefheart. Deze
rekruteert op zijn beurt een Magic Band bestaande uit behoudende muzikanten,
waarmee hij het belegen poprockalbum Bluejeans & Moonbeams maakt.
Wie Beefheart de surrealist verwacht, komt flink bedrogen uit.
DIVERSE MAGIC
BANDS
Begin 1975 trekt Captain Beefheart zich gedesillusioneerd terug in
zijn trailer in de Mojavewoestijn. De strubbelingen met platenmaatschappijen,
louche managers en het vele toeren zijn hem niet in de koude kleren
gaan zitten. De platen voor het Virginlabel brachten bepaald niet
het beloofde geld in het laatje. Als steuntje in de rug mag hij meedoen
aan de Bongo Fury-toer van zijn oude maatje Frank Zappa. Maar Zappa
krijgt daar al gauw spijt van. Beefheart ondermijnt Zappa’s
gedisciplineerde werkwijze en optredens waarin alles van tevoren is
vastgelegd.
De toer mondt uit in een klucht van twee botsende ego's die elkaar
niet meer kunnen luchten of zien. Wellicht de reden dat de lp die
naar aanleiding van de samenwerking tussen Zappa en Beefheart uitkomt
- Bongo Fury - bepaald geen hoogtepunt in beider oeuvre is.
Nota bene John
French spoort Beefheart hierna aan een hernieuwde Magic Band op te
richten. Gedurende het jaar 1976 nemen Jeff Moris Tepper, slidegitarist
Denny Walley en keyboardspeler John Thomas songs op voor het album
Bat Chain Puller. Zappa, met wie de vriendschap weer is aangehaald,
betaalt voor de opnamekosten en bezit als uitvoerend producent de
opnamebanden. Omdat hij echter op hetzelfde moment is verwikkeld in
een rechtszaak tegen zijn manager Herb Cohen, is Zappa niet in de
gelegenheid materiaal dat onder zijn auspiciën tot stand komt,
uit te brengen. De lp Bat Chain Puller wacht tot op de dag van vandaag
op een officiële release. Slechts een enkel nummer (Odd Jobs)
is te vinden op de compilatie Grow Fins: Rarities 1965-1982.
COMEBACK
Vanaf 1978 wordt alles anders. De do-it-yourself esthetiek van punk
en new wave blijkt ideaal voor een artistieke comeback van Captain
Beefheart en de zoveelste bezetting van de Magic Band. Die bestaat
ditmaal uit fans: een piepjonge Robert Williams (drums), gitarist
Jeff Moris Tepper, trombonist Bruce Fowler, Eric Drew Feldman (keyboards)
en gitarist Richard Redus. Met gastbijdragen van Art Tripp is Shiny
Beast hun eerste proeve van bekwaamheid. En wat voor een. Ondanks
de veelheid aan stijlen en stemmingen zijn de songs zonder uitzondering
van een hoog niveau. Shiny Beast bevat ouderwetse muziekacrobatiek,
waarvan het merendeel afkomstig is van de Bat Chain Pullersessie -
zoals het instrumentale Suction Prints. Ice Rose dateert zelfs uit
de Safe As Milk-periode. Het aanvankelijk alleen in Amerika uitgebrachte
Shiny Beast is zonder meer een hoogtepunt in Beefhearts oeuvre.
Evenals op voorgaande
albums dankt de autodidact Beefheart veel aan zijn muzikanten. Met
veel geduld en eindeloos lijkende repetities worden 's mans gedachtenkronkels
in muziek omgezet: het geluid van een rollende asbak, een gefloten
basthema, en, als basis voor het heen en weer schuivende drumritme
in het nummer Bat Chain Puller, de ruitenwissers van Beefhearts Volvo.
Beefheart zelf gelooft het allemaal wel. Vaak verlaat hij de repetities
om pas dagen later het eindresultaat te beluisteren.
 |
| (foto
Michael Kent Rothman) |
Voor Gary Lucas
verandert het leven van de ene op de andere dag na het bijwonen van
een Captain Beefheartconcert in 1971. Jaren later beschikt hij als
medewerker van platenmaatschappij CBS over connecties om Beefhearts
platen ook in Europa te laten uitbrengen. Na ondertekening van het
contract met Virgin duiken Beefheart en de Magic Band de studio in
om te werken aan Doc At The Radar Station. Beefheart neemt de productie
in eigen hand en dat is te horen. Muziek moet volgens hem net als
een schilderij tweedimensionaal zijn met ruimte voor suggesties en
toeval. Tijdens de opnamen blijft hij voortdurend wijzigingen aanbrengen
in de nummers. Het drumritme in Best Batch Yet moet en zal achterstevoren
worden gespeeld! Na een half uur ploeteren vertelt Beefheart de intussen
tot wanhoop gedreven drummer Robert Williams doodleuk dat het op de
gewone manier toch beter klinkt. “Hij manipuleerde ons volkomen.
We speelden te braaf en dit was zijn manier ons op stang te jagen.
Daarna speelden we zoals we in lange tijd niet hadden gespeeld”,
aldus Eric Drew Feldman. Beefheart vindt het uitlokken van conflictsituaties
blijkbaar een goede basis voor inspiratie en creativiteit.
 |
| |
Doc At The Radar
Station is een geval apart. Een meesterwerk waarin de muzikale associaties
van Beefheart, Magic Band en John French, exploderen in stukjes ondoorgrondelijke
schoonheid. Om de plaat ook in ons land onder de aandacht te krijgen
brengt de groep op 1 november 1980 een bezoek aan de Melkweg in Amsterdam.
Beefheart heeft er duidelijk zin in. Om de haverklap merkt hij sarcastisch
op dat ook het zojuist gespeelde nummer verkrijgbaar is “on
Virgin Records and tapes”. Bijna het gehele optreden wordt overschaduwd
doordat Beefheart zich stoort aan de provocaties van een bezoeker.
Ingezette intro’s worden afgebroken, maar de band laat zich
niet van de wijs brengen en zet na een matte aanloop het optreden
alsnog in vuur en vlam.
 |
| (foto Anton Corbijn) |
ZWANENZANG
Dan is er opeens het contrast, nog geen twee jaar later. Je zou niet
zeggen dat de man op de foto pas 41 is. Stetson in zijn linkerhand,
wasknijper olijk in het zwarte shirt, de oogopslag weemoedig. Anton
Corbijns beroemde portret van Captain Beefheart in de Mojavewoestijn
staat afgedrukt op de hoes van Ice Cream For Crow. Een plaat waarover
het achteraf makkelijk praten is: hoes, muziek en teksten kondigen
min of meer een zwanenzang aan. Vanzelfsprekend is er voorafgaand
aan de opnamen een hoogoplopende ruzie tussen Beefheart en Frank Zappa.
Beefheart wil een deel van de Bat Chain Puller-tapes gebruiken, maar
Zappa, rechtmatig eigenaar èn blijkbaar in een rancuneuze bui
biedt de banden te koop aan. Beefheart weigert hierop in te gaan en
is genoodzaakt om binnen een week extra nummers te schrijven. De Magic
Band (met Cliff Martinez, de latere drummer van Red Hot Chili Peppers)
is echter geweldig op dreef. Men draait als vanouds om de beat ter
ondersteuning van Beefhearts woordspelingen (The Past Sure Is Tense)
en surrealistische cut-ups (het muziekloze gedicht '81 Poop Hatch).
Sommige nummers, zoals Cardboard Cutout Sundown, behoren zelfs tot
het beste dat een Magic Band ooit heeft opgenomen. Maar hoe verfijnd
ook, de muziek is inktzwart van toon en mist het joie de vivre van
weleer. Het slotnummer Skeleton Makes Good is een van Beefhearts bizarste
creaties: alvorens de laatste noten wegsterven lijkt het alsof het
hele nummer in stukjes uiteen valt.
Na 1982 vernemen
we van de ‘muzikant’ Beefheart weinig. De ‘muzikant’
is definitief ingeruild voor de schilder Don van Vliet: “I got
too good at the horn and it got to the point where I thought I’d
blow my head right off. So I started a second life.”
In Duitsland verschijnt de chique overzichtscatalogus Skeletonbreath
Scorpion Blush. Behalve een gesproken woord-cd als bijlage van boek
en tentoonstelling Stand Up To Be Discontinued, verschijnt er geen
nieuw werk.
Van Vliet heeft
de muziekindustrie de rug toegekeerd en leeft teruggetrokken in het
Californische plaatsje Trinidad. Daar schildert hij en ontvangt zo
nu en dan vrienden en bekenden onder wie Anton Corbijn. “Er
is een verschil tussen kunst en muziek: in het ene kun je fysiek in
de verf verdrinken. In het andere kun je geestelijk verdrinken. Ik
zwem liever in de verf”, vertelt Van Vliet in Corbijns korte
experimentele film Some Yo Yo Stuff. Ondanks zijn zwaar aangetaste
stem spreek hij, stevig aan zijn sigaar lurkend, zijn fans nog eenmaal
toe: “Boe!”.
 |
| (foto
Anton Corbijn) |
Discografie
reguliere albums:
SAFE AS MILK (BUDDAH 1967) ****
STRICTLY PERSONAL (BLUE THUMB 1968) **1/2
TROUT MASK REPLICA (REPRISE/STRAIGHT 1969) *****
LICK MY DECALS OFF, BABY (REPRISE/STRAIGHT 1970) *****
MIRROR MAN (BUDDAH 1971) ***
THE SPOTLIGHT KID (REPRISE 1972) **1/2
CLEAR SPOT (REPRISE 1972) ****
UNCONDITIONALLY GUARANTEED (VIRGIN 1974) *1/2
BLUEJEANS & MOONBEAMS (VIRGIN 1974) *
SHINY BEAST (WARNER 1978) ****
DOC AT THE RADAR STATION (VIRGIN 1980) ****1/2
ICE CREAM FOR CROW (VIRGIN 1982) ****
Onmisbare
aanvullingen:
METAL MAN HAS HORNET WINGS (FAN) ***
Beruchte bootleg met opnamen en outtakes uit begin jaren zestig van
o.a. The Soots met Zappa en Beefheart.
THE LEGENDARY
A&M SESSIONS (A&M 1984) ***
Mini-album met enkele singles waaronder Diddy Wah Diddy.
I MAY BE HUNGRY
BUT I SURE AIN’T WEIRD (SEQUEL 1992) ***
STRICTLY PERSONAL
(EMI 1993) ***
De oorspronkelijke versie.
FRANK ZAPPA -
THE LOST EPISODES (ZAPPA RECORDS 1996) *****
Bevat o.a. het historische Lost In A Whirlpool.
THE MIRROR MAN
SESSIONS (BMG/BUDDHA 1999) ****1/2
GROW FINS: RARITIES
1965-1982 (REVENANT 1999) ****
Magic Band-rehabilitatie verspreid over vijf cd’s waarop uitsluitend
onuitgebracht materiaal. Als klap op de vuurpijl bevat het delen uit
de Trout Mask Replica-repetities. Saillant detal: Beefheart is niet
gekend in de samenstelling van de uitgave, noch om toestemming gevraagd.
BACK TO THE FRONT
(ATP 2003) ***
The Magic Band zonder Beefheart blaast zichzelf nieuw leven in met
live in de studio nagespeelde natuurgetrouwe versies van oud materiaal.
John French als niet overdienstelijke zanger.
Platenbeoordeling
* slecht
** matig
*** goed
**** uitstekend
***** meesterwerk
(Dit
artikel verscheen eerder in verkorte en gewijzigde versie in Heaven
nr. 6, 2001)
Top