|
Ode
aan de scheppingskracht van de geest.
Roger Dols
17 december 2004
Untitled Document
Aantal reacties: 1
|
|
Geen
kracht boeiender en dynamischer als de scheppingskracht. De scheppende
geest is de meest onberekenbare die de mens kent. Nergens gaan begin
en einde, maken en afbreken, ja zelfs leven en dood zo vitaal, verknoopt
en vernietigend samen. Het is een gave die je andere eigenschappen
de stuipen op het lijf kan jagen. Waar je relativeringsvermogen je
evenwicht belooft en alles kleiner maakt, daar stapt de scheppende
geest vol energie over alles heen en belooft je groter te maken dan
jezelf.
Scheppingskracht
manifesteert door domweg haar eigen gang te gaan en geen acht te slaan
op de al te kleine hindernissen in je geest. Het baant zich een weg
en duwt vol vrolijke boosheid je relativeringsvermogen aan de kant.
Met een zwierige beweging worden je zorgvuldig opgebouwde heilige
huisjes van tafel geveegd. “Hier geen alledaagse kleinigheden”,
klinkt het in je hoofd en je voelt de kalmte voor de storm. Eerst
de aanwakkerende wind. Het stof wordt van je geest opgetilt en weggeblazen.
De vlaktes van je bestaan worden hervormd in hoge bergen en diepe
dalen.
| Het
relativeringsvermogen zwijgt inmiddels respectvol. De wind verandert
in een stevige storm. Je verlaat de grenzen van lichaam en geest
en groeit mee met de bergen en dalen. De armen wijd gespreid laat
je de elementen op je inwerken. De wind botst op je lijf en je
ademt de ijle koude lucht diep in. Groter dan de elementen steek
je boven alles uit. Scheppingskracht huist in ijzige hoogten waar
het nooit koud genoeg en de wind nooit hard genoeg is. Gereinigd
van alle ingestampte wijsheden en gedragingen beginnen de gedachten
te groeien en worden groter en dieper tot ze boven jezelf uitsteken
en de wereld tarten. |
 |
Je kijkt naar beneden naar je eigen mens-zijn. Er
verschijnt een glimlach op je gezicht. Ja, dit was ik vóór
mijn schepping. Voordat ik mijn dwergen aan de kant duwde en reuzen
schiep. Voordat ik mijn huisjes verving door bergen. Voordat ik boven
mezelf uitschiep, deze gedachte die nu de wereld in de hand houdt
en er mee speelt. Deze gedachte die vanuit zichzelf nieuwe gedachten
schept en er nieuwe werelden mee vult. Lachend en fier volgt de ene
gedachte op de andere, voortbouwend tot mijn schepping volbracht is.
Het
stormachtige schouwspel wordt rustiger. De geschapen gedachte is compleet.
De wind is gaan liggen. Ieder geluid is nu verdwenen. Er is stilte.
Ijzige stilte. Hoog boven de bergen zweeft de gedachte op majestueuze
wijze.
Mijn
scheppende geest aanschouwt het geheel en trekt zich trots terug.
Mijn
relativeringsvermogen heeft vanuit zijn schulp de scheppingskracht
aan het werk gezien en zwemt nu in jaloersheid. Zelf alleen in staat
tot kleine en zelfkleinerende gedachten, ziet het de eigen onmacht.
“Als ik niet groter kan zijn, dan moet de rest maar klein gemaakt
worden”, denkt het. Het laadt zijn giftige pijlen en vuurt ze
venijnig af naar het hart van mijn geest. De schepping van zojuist
voelt het gif in zich doordringen. Het wordt zwak en dooft. Wat overblijft
is mijn schaamte. Hoe had ik zoiets durven denken? Wie denk ik wel
dat ik ben?
Maar in een verre duistere uithoek van mijn geest
herstelt de scheppende geest van de wonden en beraamt een luisterrijke
come back.
Top