|
En
er was niets.
Monica Dols
29 april 2005
Untitled Document
Aantal reacties: 3
|
|
Een
stralend blauwe lucht. Een verblindende zon. En zij stond daar. De
weinige zuchtjes wind die om haar heen kringelden lieten geen verkoeling
toe. Mensen lagen overal verspreid en verschilden van spierwit tot
roodverbrand. Ze deden hun ding zoals mensen hun ding doen als zij
zich aan zee bevinden. Kinderen en honden draafden door elkaar heen
in een water- en zandspel.
En zij stond daar. Haar badpak was ouderwets degelijk, zonder schuin
omhoog gesneden bikinilijn. Haar figuur werd wanhopig bij elkaar gehouden
door de stevige bandjes en voorgevormde cups. Op haar benen werden
stoppeltjes zichtbaar. Alsof ze zich net nog slordig geschoren had.
Of alsof ze de moed had opgegeven.
Niemand keek naar haar. Midden in een mensenmassa scheen ze onzichtbaar
voor de hele wereld. Vrouwen deden haar af als lelijk. Mannen keken
naar de vrouwen die haar lelijk hadden gevonden. Haar ogen staarden
in de verte, zolang, dat het leek alsof zij de enige was die tot achter
de horizon kon kijken.
Wie zich de moeite had gedaan kon zien dat haar gezicht eigenlijk
erg mooi was. Niet fotomodellenmooi. Niet plastic. Maar mooi als in
een wonderlijk soort uitstraling.
Die kon zien dat haar haar een prachtige laag vormde om haar mooie
gezicht.
En wie nog verder gekeken had, had gezien dat haar borsten wel klein
waren maar toch stevig, als door een mal gegoten. Dat haar buik wel
rond was maar haar huid overal even zacht aanvoelde. En wie ook nog
met haar gepraat had zou ontdekken dat haar intelligentie op een hoog
peil stond.
Maar niemand zag dit. Niemand sprak tegen haar.
De zon ging onder en terwijl deze een zacht rode gloed verspreidde
raapte ieder zijn spullen bij elkaar en vertrok. De mannen probeerden
met de aantrekkelijke vrouwen mee te mogen. De ouders probeerden hun
kinderen onder beloftes van frietjes met kroket mee te lokken naar
huis.
Zij stond er nog steeds. Het was intussen laat. De zon was bijna onder
en het water glinsterde nog een klein beetje na. Langzaam, heel langzaam,
liep zij de zee in.
Weg van deze nepwereld met al haar domme mensen.
Weg van deze letterlijke en figuurlijke oppervlakkigheid. Weg van
de eenzaamheid.
Als in trance ploeterde ze tegen de golven in die, hoe verder ze kwam,
meer tegenstand boden. Bijna alsof zij de enigen waren die haar probeerden
tegen te houden.
Ze liet zich er niet door stoppen. Het was genoeg geweest.
Op de boulevard wandelden nog wat mensen. Een ervan wees naar haar.
De rest stopte ook en men keek elkaar aan. Wie ging haar achterna?
En zij gleed verder. Haar rug kaarsrecht, haar hoofd strak vooruit.
Haar hele houding dwong respect af. Nu wel. Nu het te laat was.
Top