|
|
|
|
Jasper
Balduk
13 januari 2005
Untitled Document
|
|
Vaak lijkt het alsof niemand zich de vraag stelt
of we heel misschien te ver zijn gegaan in onze poging de wereld te
ordenen. De koele, berekende en zakelijke regeltjes die ons bestaan
omlijnen worden niet ter discussie gesteld. Maar hoe ziet dat bestaan
er dan uit? Is het normaal dat mensen in paniek raken als ze het besef
van tijd verliezen wanneer ze op vakantie gaan naar het buitenland?
Waarom is een Nederlandse krant een vereiste in een godverlaten gat
in Italië? En schotelantennes op de caravan – door sommigen
zo mooi omschreven als sleurhut – zijn eerder regel dan uitzondering.
Alsof het enig verschil uitmaakt voor de controle die je over je leven
kunt uitoefenen, als je ervan op de hoogte bent dat de zoveelste klimaattop
op een fiasco is uitgelopen omdat men niet wil inleveren op zijn luxueuze
leventje, ten nadele van honger- en aidslijdend Afrika en Zuidoost
Azië. De vraag op welke datum het zoveelste non-besluit genomen
wordt, lijkt mij er al helemaal niet toe te doen.
Er zijn ook mensen die zich die vraag wél stellen, met name
om op die dag te gaan demonstreren en zich keihard tegen de gevestigde
orde af te zetten. Anarchisten die schelden op de bemoeizucht van
de overheid en het alom vertegenwoordigde economisch denken, maar
tegelijkertijd de gemeentelijke bureaucratische rompslomp benutten
om in de gaten te houden welk pand ze al dan niet volgende maand kunnen
kraken. Stinkende punkers – stinkend omdat ze geen warm water
hebben, als ze echte die-hards zijn, tenminste – die
overigens wél van de bijstand gebruik maken. Of mensen die
zich in hippie-achtige communes afzonderen en groepsgewijs gaan mediteren
om de pijnlijke bevalling van een lichamelijk verzwakte, veganistische
moeder-in-spé te verzachten. Die mensen vieren hun leven lang
vakantie.
De derde categorie durft niet te kiezen. Tot die groep behoor ik waarschijnlijk.
In den vreemde kom ik pas tot rust als ik weer moet vertrekken omdat
de plicht luidkeels staat te roepen. De eerste dagen dat ik niets
hoef, val ik in slaap met een onaangenaam gevoel van nutteloosheid
en droom ik over het schrijven van sollicitatiebrieven, het inleveren
van één of ander paper, artikel of wat dan ook, memo´s
en dagindelingen waarin ik wanhopig op zoek ben naar een uurtje waarin
ik de keuken eens écht grondig kan poetsen. Ik wil door niets
dan het tentdoek gescheiden worden van de buitenlucht, maar kan niet
slapen van de oorverdovende stilte van het Franse platteland waar
die verdomde krekels doorheen zitten te tsjirpen.
Mensen worden geleefd, hetzij door de wereld om hen heen, hetzij door
hun belachelijke overtuiging, hetzij door hun vereenzamende strijd
tegen hun eigen frustratie.
Als ik tot dit soort gedachten kom, wordt het tijd dat ik er even
helemaal tussenuit ga. Nu, in dit jaargetijde, zou ik misschien eens
de wintersport moeten overwegen. Wintersport werkt verslavend, zeggen
ze, en ze hebben gelijk. Bijkomend voordeel is dat de bergen ’s
winters bedekt zijn met sneeuw, zodat je de kaalslag van die massa’s
pistes niet ziet. In de zomer, daarentegen, mijd ik die gebieden;
de bergtoppen zijn dan de troosteloze, sombere en stille getuigen
van onze massaconsumptie en onstilbare honger naar economisch gewin
– ook de mijne. Ja, vandaag ga ik maar eens een wintersportvakantie
boeken. Zolang het nog kan, zo lang het broeikaseffect me nog de kans
geeft mijn zorgen uit mijn hoofd te zetten als ik met een vaartje
naar beneden zoef en de wind me om de oren hoor suizen.
Top
|