|
Rinus
van Alebeek
17 juli 2006
Untitled Document
|
|
In Sachsen-Anhalt
regende het. Ik zag het vanuit de trein. Regentranen stroomden langs
het raam, en buiten was het groen, hier en daar een groepje huizen,
dan Rathenau met zijn vervallen fabriekshallen. Vroeger was het hier
DDR, en daar hoorde een bepaald leven bij, onmogelijk voor te stellen
welk precies.
Het
mooie aan Berlijn is dat het plots begint. Zo heb je bomen, zo heb
je huizen. Dat is Spandau, de plaats waar de laatste overlevende uit
het operettetijdperk het eeuwige leven scheen te hebben (geruchten
willen dat het relict allang was afgereisd naar het Walhalla, en dat
de Sovjets - meesters in het balsemen, immers - hem hadden opgezet,
op een karretje gemonteerd en op gezette tijden door de tuin van het
gevang trokken. Dat moet over dezelfde paden zijn geweest waar Speer
zijn imaginaire wereldreis maakte. Iedere dag wandelde hij een paar
kilometer naar de dag der vrijheid, en bedacht waar hij zou zijn aanbeland
als het werkelijk een voetreis over de aarde zou zijn geweest.)
Na Spandau
snijdt de spoorweg door de stad, geeft een mooie dwarsdoorsnede van
de verschillende bouwstijlen, met als glamoureus hoogtepunt de regeringsvelden
die door het vele gebruik van glas schitteren als een uitvergrote
toonbank van een juwelier, die zijn sieraden toont aan het echtpaar
dat zo naar jubileumsparfum ruikt.
Ik moet
er uit bij het Ostbahnhof. Kijk rond in de hal, en vraag me af waar
die foto's van elfduizend kinderen opgehangen moeten worden: het is
er een grote snackboulevard. Buiten is het veel warmer dan in de trein,
niet in de verte een naderend onweer te bekennen. Volgens de radio
zou dat ook in Sachsen - Anhalt blijven logeren. De lokale radio waarschuwde
de bewoners hun kippen binnen te houden, en zo mogelijk in de auto
te schuilen, en niet onder een boom.
De fiets
is van Guido; hij woont aan de overkant van de Spree, waar Kreuzberg
begint. Het is een fiets die de sporen van een harde winter draagt.
Het belangrijkste aandenken daaraan was de ketting, nu vervangen,
nadat ik op een nacht bij het Alexanderplein op de trappers ging staan.
Dat kon de ketting niet verkroppen. Het 'pang' heb ik niet gehoord,
omdat ik het vallen niet heb meegemaakt; plotseling lag ik op de grond.
Au.
De remmen
zijn dus gemaakt. Op naar Tesla, Justin ontmoeten. Tesla ligt in de
Klosterstraat. Genoemd naar de uitvinder van de wisselstroom, geniaal
wereldverbeteraar die over de gehele aarde ijzeren torens wilde oprichten
om de electriciteit van de bliksem op te vangen en aan de mensen te
geven, is Tesla een oord waar soniciteit in al zijn vormen ter ore
en ter sprake komt. Dat 'sprake' geschiedt in een ruimte die in de
jaren vijftig als vliegveldlounge niet zou hebben misstaan, en nu
nog niet, eigenlijk. Maar Justin was er niet.
Dan
naar Prenzlauer berg. Om Ansgar te zien en te demonstreren hoe je
een stropdas knoopt. Hij moest op een bruiloft spelen. Maar hij moest
me ook sleutels geven, en een afspraak maken waarop ik sowieso te
laat zou komen. Terug naar Tesla, dus. Met mijn jasje aan, terwijl
iedereen in hemdsmouwtjes liep en niets van een naderend onweer wist.
Nu was Justin er wel, maar hij zat al in de ik-word-geintroduceerd-houding,
dus heb ik naar hem gezwaaid. Gelukkig had ik nog tijd om een geluidsfragment
te horen. Opnames uit China, die hij abusievelijk aankondigde als
Haags geruis. Mooi, wonderlijk, statisch en toch in beweging, electrificerend,
zoals het in een onweerswolk zou kunnen zijn. Het spijt me dat ik
moest gaan. Het was nog een uur met de fiets.
En ik
had beloofd te spelen op de afscheidstentoonstelling van Eckhardt.
Hij had geschilderd met ijzervijlsel en lindebloesem, hoewel niet
op hetzelfde papier. Daar hing het dan, als achtergrond waarbij je
je wel voelt, en waar je niet de godganse dag naar hoeft te kijken.
"Ja, ik speel nog." Toen dat werd gezegd, gingen de laatste
gasten. Toen waren we onder ons. Buiten weerlichtte het af en toe.
Als die donder over de daken had gerold, had ik niet gespeeld, maar
daarnaar geluisterd. Iedereen sprak, en bleef praten: de geluiden
waren voor mezelf.
Aan
het eind van de avond had Eckhardt nog zin om te praten, over Italiaans
brood en over het liften in de sneeuw, over het gezinsleven in een
groot huis en over een pigmentenmenger in de Türkenstraße.
Het mooiste was zijn ochtendritueel. Hij ging naar de bakker en dronk
daar een kop koffie voor 60 cent en las de Berliner Zeitung. Die bakker
ken ik uiteraard, dient als hal naar de supermarkt en pal ernaast
is een worststube, waar de kampioen bierdrinkers zich verzamelen.
Ik ging
de volgende dag naar het tafeltje van Eckhardt kijken, een gedekt
houten ding naast een koelkast, en daardoor met net genoeg intimiteit
om de supermarktgangers van een afstand te bekijken. Daar had hij
dus gezeten in groeiende stille afwachting van de komst van zijn vriendin,
maar ook in de gezegende omstandigheid om weldra verder te kunnen
werken aan zijn verzameling roest en bloesemwerken.
Top