Untitled DocumentUntitled Document
Bovengronds
Front
Artikelen
Aanraders

Ondergronds
Over de Afgrond
Contact

Verwante Gronden
Artikelen van
Rinus van Alebeek

 
Onderwerp:
Leven

 
Commentaar

 

 
Evelien

 

Rinus van Alebeek
4 september 2006 Untitled Document

 

Op gezette tijden komt er beweging in de fabriek. Die
tijden zijn nauwkeurig bepaald en in een dienstregeling
vastgelegd. Heel even zit je op stoel of bank als in een
schommelend bootje. Ik zou makkelijk een tijdschema op
kunnen hangen. In 24 uur zou zo'n schema klaar zijn. Ik
hoef daarvoor slechts uit het raam te kijken en te noteren
welke trams op welk uur exact de fabriek laten dansen.
Maar daarvoor ontbreekt me de archiverende dwang.

De trillingen zijn indirect aan de SS te danken. Zij
vernietigden de bruggen over de Spree, die hier het
noordelijke deel van Berlijn met het zuidelijke verbinden.
Ik geloof niet dat de vernietiging uit strategische motieven
tot stand kwam. De opmars van de Russen geschiedde in
oost-westelijke richting. Na de oorlog werd een nieuwe
brug door DDR-vernuftelingen gebouwd. Daarbij is een
klein foutje gemaakt, waardoor de fabriek met de brug
meetrilt.

De val van de muur in 1989 was de laatste historische
gebeurtenis die ik me kan herinneren. Het voorval zelf
droeg al de kenmerken van de huidige vermediaseerde
geschiedschrijving in zich, maar wat daar 'viel' had zijn
oorsprong in de oktoberrevolutie van 1917. Die
markeerde ook een overgang naar een ander tijdperk.
Voor mij heeft het nieuwe tijdperk vooral logistieke
gevolgen: Er is geen muur, Treptow grenst aan
Kreuzberg, en de weg erheen kan ik gewoon fietsen.

Het merkwaardige aan die straat is dat hij een tijdlang
niet ertoe diende om in Kreuzberg te komen. Al fietsende
merk ik dat. Dit deel van Treptow moet als buitenwijk
bedoeld zijn. Aan een zijde de Spree en zijn beboste
oevers en verderop het park met zijn gigantomanisch
monument voor de Russische vrinden, aan de andere
zijde etagewoningen en zijstraten, die door hun
eenvormigheid mij als fietser de indruk geven dat ik geen
enkele meter opschiet.

Geschoten werd er verderop. Daar staat een wachttoren -
nu monument- waaruit de grenssoldaat de sperzone in de
gaten hield. En daar moet ook ergens de muur hebben
gestaan. Maar waar, is onherkenbaar. Sterker nog, met
de Schlesische Strasse van Kreuzberg al in zicht, kan ik
me onmogelijk voorstellen wat vroeger oost of west was.
Van de bescheiden industriegebouwen rechts kan ik niet
de voormalige nationaliteit herkennen. De sperzone links
van me is nu een park waar Turkse families op
zomerdagen neerstrijken, tenten opslaan, dekens
uitspreiden en onder de rook van barbeques picknicken.

Ergens op de hoek van de Schlesische strasse, daar
waar een zijstraat richting Lolarenntbrug leidt, valt op een
bordje te lezen: Mauerstrasse. Het bordje is bedoeld voor
touristische voetgangers, want het is zo groot als de
wimpel die ooit aan mijn allereerste fiets hing. Die
zijstraat heeft grensstreekallure, is à la Belgique vuil en
net niet gezellig, maar weet me niet te vermiddelen of hij
vroeger in oost- of west Berlijn lag. De ware gezelligheid
wacht op de Schlesische strasse zelf. Pas geleden door
een tijdschrift tot 'Szenenviertel van de week'
uitgeroepen, bood het voor mij de zichtbare verklaring
waarom je in Berlijn nooit fauteuils, stoelen, tafels of
lampen bij het grof vuil vond.

(Ook hier kwam Josephine met een nuchtere uitleg: grof
vuil op laten halen, kost geld. Daarom wordt niets op het
trottoir gezet) Het interieur en het terrasmeubilair van
Café Jachthut onderscheiden zich in hun retrorecyclage
niet van wat bij alle andere bars, restaurants en boetieks
in deze straat te zien en te koop is. 'Jachthut' staat er in
het Pools op het uithangbord; het zou ook een
lichtreclamebak van een wodkamerk kunnen zijn.
Gisteren sprak ik hier een Erika aan. En die verwees me
in eerste instantie door naar Tom, en in tweede instantie
naar haarzelf.

"Du bist Tom?" Tom is een grote slanke man met een
Clark Gable snorretje en kort geknipt haar. Zijn zwarte
hemd met korte mouwen behoorde vooral in de jaren
tachtig tot het uniform van de alternatieve Duitse jeugd,
die zich door groepen als Einstürzende Neubauten met
zware stukken ijzer de hersens liet inslaan. "Ich bin Rinus,
gevolgd door een korte inleiding op mezelf, ik haat dat."
Dat ik hier met mijn Tape-kompanen kan neerstrijken is
snel geregeld. Hij raadt me aan in september te komen,
dan is iedereen binnen. (De warme Augustusdagen
hielden ieder tot ver na middernacht op straat.)

Het is zeven uur en nog steeds stikkend heet. We staan
voor de deur van het café onder een zonnescherm,
waardoor we niet nat worden. Boven ons begiet iemand
de geraniums. Het water plenst op het trottoir en op de
tafels en stoelen die Tom zojuist heeft opgesteld. Hij heeft
het over de straat hier, waar zijn bar tien jaar geleden de
enige 'Kneipe' was en over Robbie Williams, dat hij daar
met zijn nichtje heengaat. Zo'n kaartje kost 65 Euro. Ik
vraag hem of hij nog wel goed wijs is. Hij heeft het kaartje
voor niks gekregen. Tja, dan zou ik ook gaan. Af en toe
loopt hij uit ons gesprek weg en roept naar boven, dat het
genoeg is, en dat hij hier moet werken. Er klinkt een
prettige zingzang door in zijn beklag.

Waar ik vandaan kom. Heerlen. Dat kent hij. Hij is zelf uit
Düsseldorf, heeft vroeger in Aken gestudeerd, woonde
met andere studenten in een huis in Vaals. Heerlen was
een harde stad. Bij die opmerking glimlach ik ongewild.
Het is een glimlach waarop normaal gesproken een licht
gegnuif volgt. Het is ook een glimlach die de uitdrukking
in de ogen verandert. Plots kijken ze ver weg. Iemand aan
de overzijde van de straat ziet twee even oude mannen
naast elkaar staan. Ze zijn in een geanimeerd gesprek
met elkaar, staan daar alsof ze op een optocht wachten.
Op het balkon boven hen is iemand in de weer met een
gieter. Het water spat op het trottoir.

1974: Nico Wetzels en zijn vriendin lopen over de
spoorwegovergang in de richting van Kosmos. Nico heeft
zijn teennagels gelakt, zijn haar gepommadoerd, een
zijden cape waaiert bij ieder stap mee. Zijn blote voeten
steken in klompen met plateauzolen. Hij draagt make-up.
Zijn vriendin is graatmager en een kop groter. Afrokapsel,
alhoewel ze blank is. Haar ogen op half zes, kenmerk van
de heroinegebruiker. Dezelfde zomer in Bilzen op de
weide van het festival. Nico en vriendin zijn inmiddels het
koningspaar van de Heerlense underground. Ze zitten op
een kleed, onaanspreekbaar, ongenaakbaar. Behalve als
je een stuk hasj of een trip wilde kopen.

In 1974 stond het station nog. Op het trottoir ervan kreeg
Jackie Dörnberger een broodmes door zijn lijf gejaagd.
Dat mes was een kwartier eerder bij Schunck gestolen.
De Saroleastraat was nog voor auto's bereikbaar. De wijk
achter de Royal was nog niet vernietigd. In de jaren die
erop volgden, greep het Heerlense stadsbestuur de
aanwezigheid van junken dankbaar aan om het aanzicht
van de stad te veranderen. En zich zelf als junk te
bekennen die verslaafd was aan afbraak en
subsidiegelden.

In mijn lachje daar op het trottoir in Kreuzberg, en de
veranderde blik in mijn ogen is overwonnen teleurstelling
te lezen. Maastricht was fijner, zegt Tom. Ja, maar wat
heb ik met Maastricht? Tom vraagt me of ik een Evelien
ken, dat was toentertijd de vriendin van een dealer. Ze
was ook zijn vriendin. Wanneer was dat? Begin tachtig.

Begin tachtig kreeg Hankie Fransen een broodmes door
zijn lijf gejaagd. Gewoon in zijn flat. De broer van de
moordenaar is later in zijn eigen braaksel gestikt: heroine.
Maar toen was een groot deel van de binnenstad al
verdwenen, en een ander deel van dezelfde binnenstad
stond op het punt te verdwijnen. De stad kreeg geen
inwoners die de mankerende fantasie van het college van
wethouders wisten te compenseren met hun eigen
levensvreugde en de oude huizen een nieuw leven
gaven. Heerlen kreeg een gigantomanisch
plebejerspaleis gepresenteerd, waarvoor een naam werd
uitgezocht, die te treurig is om hier te herhalen, maar die
perfect het domme cynisme van de bestuurders en de
aannemers weerspiegelt.

Evelien? Ken ik niet. Het is Toms beurt om ver weg in een
verleden te kijken.

Top