|
Rinus
van Alebeek
18 oktober 2006
Untitled Document
|
|
Mijn geboorte is te danken aan de mijnbouw. Kort
na de tweede wereldoorlog kwam mijn vader uit het agrarische en schoenlapperige
Brabant naar het uiterste zuiden van Nederland. De stad die hem verwelkomde,
bestond toen al tweeduizend jaar, misschien zelfs langer. De Romeinse
legers troffen in de plaats die zij Coriovallum noemden een Keltische
nederzetting, zeven heuvels, drie bronnen,
een kruispunt en een onbekend gebleven aantal maagden aan. De hedendaagse
bezoeker kan in het thermenmuseum vanaf een loopplank de laatste resten
uit die tijd bekijken .
Het heeft weinig naslagwerk nodig om uit te vinden
dat het dorp door de eeuwen heen handelslieden en koopmannen uit verschillende
windrichtingen bijeen bracht. De aanwezigheid van landlopers, dagloners,
dronkelappen, dieven en hoeren staat terloops vermeld. Uit die bevolkingsgroep
zijn de dealers en de junkies voortgekomen. Hun opkomst viel samen
met de sluiting van de mijnen aan het eind van de jaren zestig. Van
de vijf mijnen die er in Heerlen stonden is een schachtwiel over,
die ook als een soort Tatlinconstructie gezien kan worden.
De junkies hielden zich in en om het station op.
De hoeren woonden erachter in een sluimerige vuile straat die volgestopt
werd met Turkse en Marokkaanse gastarbeiders. Het station werd afgebroken
en de hoerenstraat ook. In hun poging de junken uit de stad te verdrijven,
brak het stadsbestuur het ene perceel na het andere af, en liet tenslotte
ieder gebouw van de aardbodem verdwijnen dat door zijn portiek de
indruk kon wekken dat een junk daar zou pissen, kotsen, zijn horse
kopen of een spuit zetten.
Het stadsbestuur raakte verslaafd aan zijn repressieve
politiek. Het raakte ook verslaafd aan de subsidies die uit Den Haag
bleven toestromen en die gebruikt werden om de stad nog verder te
vernietigen en vol te bouwen met parkeerflats en overdekte winkelcentra.
Na acht uur worden de rolluiken neergelaten. De kooplustigen zitten
voor de televisie. Door de lege straten struinen de
verslaafden.
Vroeger had de junk nog iets aandoenlijks. Hij vroeg
om een gulden, of om vijftig cent. Toen de nieuwe munteenheid kwam,
ging een enkele met zijn tijd mee en vroeg om een euro. Maar veel
tijd om mee te gaan werd hem door burgermeester en wethouders niet
gelaten. De ergste gevallen werden opgesloten in de psychiatrische
inrichting. De laatste maatregel die hem op de vlucht
jaagt, is het verbod om op straat bier uit een fles of blik te drinken.
De junken zitten in de buitenwijken, ver genoeg van het winkelend
publiek. De enige die nog om 50 cent vraagt is de dame aan het loket
van de spoorwegen. Want zoveel kost het om een kaartje te kopen.
Op het station van Amsterdam waar je eindeloos langs
lege coulissen loopt om uit te vinden waar de loketten zijn, kun je
de vraag om 50 cent uit de weg gaan door je kaartje aan een automaat
te kopen. Dat kan in Heerlen ook, maar dan moet je wel een volgeladen
geldkaart hebben, of toevallig veertien twee-euro munten op zak. Briefjes
accepteert de automaat niet. Op het station van
onze hoofdstad hangt bij wijze van methadonbus voor goklustigen een
geldwisselaar, die na iedere gelukte opslurping van het geldbiljet
de munten in de graaiopening laat vallen. Daarmee mag je dan naar
de automaat sloffen.
De junk vroeg op de een of andere manier om aandacht.
Hij vertrok niet voor niets naar zijn tijdelijk nirvana, waar alles
stroomde en niets pijn deed. Bij terugkomst trof hij vele jaren later
beleidsmakers aan, die zich om zijn lichaam en geest bekommerden.
Maar wat is er na het gouden junkietijdperk, de cynische en post-cynische
jaren zeventig en tachtig toch gebeurd?
Misschien valt de aanzet tot die kentering nog het
best uit te drukken in de strijdvaardige woorden van de toenmalige
voorzitter van Ajax. Hij wilde zijn club weer uit het slop trekken.
De eerste pompeuze aanwijzing was zijn uitspraak dat Ajax het Real
Madrid van Nederland moest worden. Wist hij veel. De tweede uitspraak
sloeg al iets meer de spijker op zijn kop. Ajax moest als een produkt
worden gezien. Vijftien jaar later kondigt burgermeester Cohen van
Amsterdam blij aan dat 'Amsterdam' een merk is.
Zo op het eerste gezicht is er tussen het produkt
'Ajax' en het merk 'Amsterdam' geen verschil. Beide zijn te koop.
Maar vijftien jaar geleden lag dat toch iets anders. De kopers moesten
er eerst van doordrongen worden dat 'Ajax' niet langer een voetbalvereniging
was, maar een produkt. De aanhanger werd met de uitspraak van de voorzitter
nog niet meteen een klant, laat staan dat hij zich
zo voelde. En de grote klanten wilden eerst maar eens zien of zo'n
concept ook geld opleverde. Dit betekende dat de voorzitter en consorten
met hun produkt moesten gaan leuren.
De burgermeester van Amsterdam hoeft dat vijftien
jaarlater niet meer te doen. Hij doet een creatieve uitspraak, zegt
in feite dat de kleine zowel als de grote ondernemer haar fantasie
moet gebruiken, en het feit dat zij in Amsterdam woont vrijelijk als
verkoopargument mag gebruiken. Wonen en werken in Amsterdam staan
garant voor kwaliteit. New economics raakt hier aan religie. Ik neem
nog even het woord 'project' uit de doos.
Het woord project bezit toverkracht. Ieder die het
uitspreekt treedt toe tot een gemeenschap van
gelijkgezinden, van hen die hun persoonlijke voorkeuren en beslommeringen
wegcijferen, hun moraal thuis laten en creatief omgaan met hun talent.
De naam van de persoon en zijn werk worden verenigd in dit project.Uiteindelijk
moet het geld opleveren, want daarmee is een project afgerond, als
het tot een produkt leidt dat als merk de naam van de maker heeft.
Dit is de junkiedoctrine. Cijfer jezelf weg. Richt
je op het nodige. Zie je zelf als een merk. Bied je zelf te koop aan.
De junkie rekende op barmhartigheid, een aloude vorm van medeleven,
die elke cultuur siert. De beleidster van het projectisme rekent op
dezelfde barmhartigheid, en doet er aan de rand van de straat alles
aan om in het gevlij te komen van degenen die met een suizende lift
naar de hoogste etages van hun kantoortoren vertrekken. Ondertussen
woont ze in een gezellig land, dat niet te vol is, want een gezellige
huiskamer is nooit te vol, en waar de vreemde niet creatieve en daarom
ook niet gezellige gasten langzaam naar de buitenwijken worden verdrongen.
Uiteraard is dit maar een mening en daar kopen zowel
U/jij als lezer als ik als schrijver niks voor. Sterker nog, niemand
onder ons gelooft dat mijn reeks geschriften een deel van een project
is. Als bewijs laat ik mijn gironummer. Maak 50 cent over op girorekening
6280079 tnv MJJ van Alebeek, onder vermelding van 'project afgrond'
indien U/jij van het tegendeel overtuigd bent. In volgende afleveringen
houd ik U/jullie op de hoogte van Uw/jullie ongeloof.
Top