|
|
|
|
Monica Dols
5 december 2006
Untitled Document
|
|
 |
In het donkere woud zat zij gehurkt en heel stil achter een struik.
Wie weet wat de geluiden waren die op haar afkwamen. Van links, dan weer van rechts
Kraakte een tak of klonk er geritsel. Ze kon goed stil zijn, dat moest ook wel, was zelfs van levensbelang. Met haar linkeroog probeerde ze tussen de takken door te gluren. Ze leefde alleen en dat was niet makkelijk. Een voor een waren de anderen overleden. En een voor een had zij ze begraven onder bergen gevallen bladeren. Het zou een onmogelijke opgave zijn
geweest om ze onder de grond te stoppen. En grotten waren hier ook niet in de buurt.
Zij overleefde, hoewel ze geen idee had waarom, tot nu toe. Het leven was elke dag vol gevaar dus als ze besef van tijd zou hebben gehad kon men het een kwestie van tijd noemen.
Maar tijden waren voor haar de kou, de regen, de warmte en zon. Nu was het de tijd van donker en kou. Het leek wel of de zon verstoppertje deed achter elke boom, en steeds minder zin had om tevoorschijn te komen. Gelukkig was het nog niet zo dat het water in de poel was stilgevallen en zo hard dat de vissen onbereikbaar waren, of de struiken met geschikte besjes
helemaal kaal.
Weer geritsel. Vaag zag ze de contouren van een persoon. Dit kon goed nieuws, of slecht nieuws zijn. Het goede nieuws, er sloop geen beer of hongerige wolf haar kampje in. Het slechte nieuws, de bedoelingen van deze persoon konden ongunstig zijn. Steeds dichterbij kwam de persoon. En toen zag ze het, het was een kind! Een klein jongetje dat heel voorzichtig haar kampje binnensloop. Angstig keek hij steeds over zijn schouders, intussen schuifelend richting het kampvuurtje dat nog zachtjes brandde. Daar ging hij op zijn hurken zitten en verwarmde zijn kleumend lichaampje. Heel rustig stond zij op en liep op het jongetje af.
Toen hij haar zag maakte hij zich klaar om weg te rennen. Ze bleef even stilstaan en maakte susgeluidjes. Ze nam een handjevol bessen en stak ze naar hem uit. Aarzelend nam het jongetje ze aan en at de bessen op met een snelheid die suggereerde dat hij lang niets meer gegeten had.
Vanaf dat moment bleef het jongetje bij haar. Schijnbaar had ook hij geen groepsleden meer.
Samen verzamelden ze veel eten en toen de tijden te koud en te donker werden bleven ze in haar hutje wachten. Samen wendden ze zich in hun gebeden tot de zon. Ze baden om de terugkeer van het licht. De tijden waarin er weer eten in overvloed was en ze verder zouden trekken, op zoek naar nieuwe groepsleden. Tijden waarin ze hopelijk weer opnieuw overleefden.
Top
|