|
Ferdy van Lotten
18 maart 2007
Untitled Document
|
|
Die avond zag ik haar wenen.
Het was voor het eerst dat ik het meemaakte.
Ik stond stil op de gang.
Als een klein kind bewoog ik mijn bovenlichaam om de hoek om te kijken.
Zachtjes snikte ze.
Ik aanschouwde haar.
Het was een diepgaand soort verdriet,
Het soort verdriet dat als een immense regenwolk zich boven je ontwikkeld.
Het soort verdriet dat groter is als jezelf.
Maar dit was onwerkelijk. Ze huilde nooit. Zelfs geen traan toen haar vader vertrok.
Ik leek een getuige van iets wat ik nog niet moest zien; zelfs de oorverdovende stilte maande de tijd bijna om stil te staan.
Een muur trok zich op om haar heen.
Ik stond aan de grond genageld, onwetend.
Er ging een soort kracht vanuit; het leek alsof ik geen deel uitmaakte van het vertoonde leed. Alsof het langs me heen ging. Geen rol was mij hierin toebedeeld.
Ik kon geen voet verzetten, mijn benen leken als verlamd.
Haar tranen ontsprongen in de essentie van haar ogen.
Ze daalden af om een leven te leiden op haar wang, om zo zachtjes te sterven in de hoek van haar lippen. Sommige van hen behaalde zelfs het tapijt, om zo donkere vlekjes te vormen op de donkerrode ondergrond.
Langzaam maakte ik mij meester van mijn lichaam. Twijfelend zette ik mijn voet over de drempel van de deur. Eventjes bleef ik staan, wellicht om haar aandacht te vangen, maar vooral om mijn schrik gestalte te geven.
Ze leek het niet op te merken.
Haar zachte geween trof me. Ik voelde mijn buik prikken.
Toen ik haar op een kleine afstand was genaderd, kon ik de handeling pas bevatten.
Het was een uitdrukking te geven aan al haar angsten, het soort angst welke haar –en zo ook mijzelf- nooit zou kon beïnvloeden.
Haar gehuil maakte het me die dag duidelijk; alle hoop is nu verloren.
En zachtjes legde ze haar hoofd op mijn schouder…
 |
| Afb. van Adolfo Ramon |
Top