Untitled DocumentUntitled Document
Bovengronds
Front
Artikelen
Archief
Album Top 5
De Afgrond In
Aanraders

Ondergronds
Over de Afgrond
Contact

Verwante Gronden
Artikelen van
Rinus van Alebeek

 
Onderwerp:
Cultuur

 
Commentaar

 

 
Peperkoek en Homolol

 

Rinus van Alebeek
9 oktober 2007 Untitled Document
Aantal reacties: 3

 

Vierentwintig uur op Nederlandse bodem volstaan om met het columnistenvirus te worden geinfecteerd. In de trein naar Venlo was het nog fijn gemoedelijk: een jonge man sprak iedere nieuwe passagier aan over zijn geadopteerde hond, een kniehoog dier van voorname Portugees/Spaanse afkomst. Sommige van de passagiers liepen weg, omdat de jonge man niet ophield met zijn loftuitingen. Hij droeg een baret, alsof hij bij een of andere brigade hoorde, en toen hij in het stadje uitstapte, waar naar zijn woorden een gekkenhuis stond, hoorde ik tot op mijn plaats in de coupé hoe hij met zijn hondje sprak, terwijl hij achter het dier aan de trappen afliep.

Hoe dichter bij Venlo, hoe jeugdiger de reizigers, allen marihuanatouristen, die met routineuze gelatenheid de wachttijd ondergaan, die zo'n treinreis immers is. Einde September regende het, het platteland verduisterd, de huizen verdoemd tot een verveelde herinnering. De trein had een vertraging van een half uur opgelopen. Service heet, dat een stem uit de luidsprekers dan ook netjes uitlegt hoe dat kan: ophopend goederenverkeer. Ik dacht aan de vele vrachtwagens die de Duitse snelwegen verstoppen. Als hun lading ook nog eens op spoorrails wordt verplaatst, zullen de treinstellen van het regionale verkeer verworden tot mobiele getto's.

De controleur was mooi droevig. Dat kon je zien aan de groeven die in zijn gezicht waren gesleten en een glimlach die de ergernis al jaren voorbij was. Niet het gezicht dat past bij het hoogglansimago van de hele snelle trein, ook niet de leeftijd trouwens. Een kwestie van taal: in de ICE heet de 'treinmanager' je welkom, en die zorgt ervoor dat zijn 'medewerkers' voor de aanvang van iedere reis hun uniform laten stomen. Hij kwam me het kaartje verkopen toen we bijna de Nederlandse grens hadden bereikt. De blik van  verstandhouding was buitenambtelijk. Het regende niet binnen in de wagon, maar de morsigheid en de sleet gaven het de flair van een jeugdhonk een week voordat het zou afbranden. Als je de helft van je leven achter je hebt, dan hoeven sommige dingen niet te worden uitgesproken:na enig getik en gedruk op zijn draagbare kassa, berustte hij met de woorden: "als dat ding niet wil, dan kan ik je ook geen kaartje verkopen."

Op dat moment had ik ongeveer acht uur treinreis achter de rug en nog anderhalf voor me. Zürich-Breda, en een voorbijtrekkend landschap dat als illustratie van het weerbericht kon dienen: zon in Zwitserland, bedrukte luchten boven de wijnvelden langs de Rijn bij Koblenz, geselende regens in Keulen, en Sinterklaas-zal-komen-weer in de buurt van Nederland. Op het perron van Venlo was het dan ook gewoon herfst. Het had met regenen opgehouden in Breda. Een joviale kaalgeschoren informant van de NS wist op mijn "Electron"- bevattende vraag, met een soort van kwinkslag een "BUTFF-festival" houdend antwoord te produceren. Hoogstwaarschijnlijk trok hij in zijn vrije tijd smakelijke porno's uit de digitale muur.

De geschiedslagen in Nederland zien er overal hetzelfde uit, voorzover het de sociale woningbouw betreft. In de lange straat achter het station stonden de bloedpoepbruine huizen in een lange rij, een rij zo lang, dat hij komende van Maastricht met een vertakking bij Eindhoven, via Zaandam en Assen tot Winschoten liep. Ik hoefde niet zo ver. Het kijken werd luisteren. Over de daken in de vollemaanbelichte nacht zocht ik naar de herkomst van het stadiongezang, en herinnerde me dat ik hier al een keer was geweest om een wedstrijd van NAC te bezoeken, tegen Ajax? Er staat me niets van bij, behalve dat ik bij de ingang tegen de rug van Wim Jansen aankeek. Die droeg een lange regenmantel. Ik kwam er niet over uit dat hij zo dik was.

Electron was snel gevonden. Bij de stoplichten moest ik naar links (of rechts). Rechts kon niet, getuige het neon van het tankstation. Naar links dus, daar stonden twee fietsers. Er moet een lexicon van fietsers en hun gedrag op te stellen zijn, waaruit je hun herkomst en het doel in hun leven kunt aflezen. Studenten, of iets artistiekerig vrijberoeperig, nee, laat ik het zo zeggen, een zekere mate van intelligentie is duidelijk herkenbaar in de bewegingen. Silhouetten bij een boom, de wachtende, maar ook opgewekte houding van de een, het huiselijke van de ander; de twee fietsers riepen een situatie in de deur van de slaapkamer terug, of beeldden de stilte na de maaltijd uit, niet zo gastronomisch exclusief, getuige de pindakaaspot waarvan het deksel nog omgekeerd ernaast lag. Mij was duidelijk waar de ingang was.

Wat ik met Diktat op een ondergronds filmfestival moest waar de trash hoogtij vierde, weet ik niet zo direct. Nu moet ik eerlijk zijn: ik heb dat woord 'trash' nergens gezien. Misschien waren het echt B-movies en undergroundfilmen die over het weekeinde werden vertoond in de gewezen loods voor elektrieke onderdelen. Trouwens, als je 'trash' kunt verstaan als plezier hebben aan het demonstreren van/provoceren met je slechte smaak, dan is ook dat gedrag weer behoorlijk achterhaald. Met deze uitspraak preludeer ik meteen op de inhoud van de rest van dit stuk. Het moet wel ergens over gaan, toch?

Andy Bolus, kijk naar zijn naam, die is pas trash. Van hem leerde ik het recept broodje chips met azijn, gèdver. Hij zag het instrumentarium van Harold Schellinx en mij in de Miroiterie in Parijs, en riep uit dat het als een fucking vlooienmarkt uitzag. Harold en ik zijn de helft van Diktat. We spelen cassettes af met walkmannen en cassetterecorders. Die worden niet of nauwelijks meer gemaakt, en dan ben je vanzelf aangewezen op gebruikte apparatuur. Dat van die cassettes is geen koketterie. Het geluid klinkt nu eenmaal zo als dat ik(wij) het horen wil(len), en nu ik er aan gewend ben, en nog steeds arm, heb ik zin noch geld om op digitaliteiten over te stappen. Emanuel, de derde diktateur, voegt daar nog zijn dikteerapparaten aan toe, en Jean speelt op een contrabas die de reis naar en van het verre oosten heeft overleefd. De contrabas was toen in het bezit van zijn grootvader, en een deel van het verre oosten heette Indo-Chine. De grootvader speelde Debussy onder de palmbomen. De geschiedenis van die contrabas zou ik wat graag ooit nog eens op willen schrijven. Waarmee gezegd is dat onze muziek niet de slechte smaak viert en geenszins categorisabel is als trash.

Nu moet het hallelujah-gevoel dat de slechte smaak opwekt toch in een historisch kader worden geplaatst. Slechte smaak is niet goede smaak, zoveel is wel duidelijk. Goed versus slecht, dat is hier het na-oorlogse cowboy en indianen verhaal. Het moet ergens tegen het einde van de jaren vijftig zijn begonnen, toen de avantgardisten zich niet zozeer tegen het normen-en waardenstelsel afzetten, alswel tegen de geweldige morele druk die maatschappelijk daarvan uitging. Waar de hetero's het veelal over sex & politek hadden, waren de homo's veel geraffineerder in hun kritiek: ze lieten de vorm intact, maar verschoven het accent van de inhoud iets. Zij waren geen activisten, maar concentreerden hun aandacht op de alledaagse omgang. Gerard Reve in zijn Gerard K. van het Reve tijd was daar bijzonder goed in. Zonder dat hij het wilde werd hij de voorloper van een reeks homololbroeken wier benaderingswijze van de maatschappelijke mores een ontwikkeling doormaakte die door de dubbelzinnige Wim Sonneveld, de huisvrouwenlieveling Jos Brink en de dwars door publieke perkjes walsende André van Duin, en tenslotte de zichzelf overschreeuwende intolerante humor van Paul de Leeuw in de politiek terecht kwam. Toen Pim Fortuin dacht dat hij de volgende koningin van Nederland kon worden was de trash als cultuurverschijnsel definitief gearriveerd. En blijkt tegenwoordig de norm te zijn, als je afgaat op de standpunten die in de Islamdiscussie worden ingenomen.

Onze na-act is Dr.Bibber. Nog nooit van gehoord. Maar als ik later die nacht hoor dat zijn echte naam Peter is, en weethebbend van Electrons gastvrijheid jegens de herriemakers van de Hondenkoekjesfabriek, vermoed ik heel terecht dat Dr. Bibber een zoveelste lawaaicarnatie is van een van de musici van Neerlands roemruchtste noise-act: FCKN BSTRDS. Dr. Bibber begint met een citaat van prinses Maxima, die gezegd heeft dat Nederland niet bestaat. O? Dus betoogt Bibber nogal zijig, dat hij zich afvraagt waar hij de laatste jaren dan heeft gewoond. Hij doet dat niet in broek/t-shirt uitdossing. FCKN BSTRDS deed aan comic-strip noise, besteedde veel tijd aan het maken van carnavalsmaskers, en droeg die dan bij optredens. Dr.Bibber draagt een strakke miniwielerbroek, moonboots en elleboog- en knieprotectie. Hij speelt geen instrument. Op een stoel staat een oude radiocassetterecorder en die is op de P.A. aangesloten via een kabel met een delicaat contact. Uit de luidsprekers klinkt dansbare trashdisco.

Trashdisco inderdaad. De volgende dag stel ik hem voor zijn act bij een reisbureau aan te bieden. Hij zou ermee goed geld kunnen verdienen in Benidorm. Harold vond het maar niks, het was hem te Nederlands, bovendien had hij een hekel aan carnaval. Nederlands was het zeker met al zijn verwijzingen naar het cabaret en de kinderprogramma's van de laatste twintig jaar. Bibbers liefdevolle omgang met het woord 'stront' getuigde van het educatieve karakter van het kinderprogramma van 'Ome Willem.' Zo'n Ome Willem was natuurlijk ook behoorlijk visionair, zeker gezien de kinderpornogolf die niet veel later via het computervenster de huiskamers overspoelde. Met de imitatiestront, die hij uit de peperkoek had gekneed, schreef hij de naam van Maxima op de muur. Iedereen wist natuurlijk dat het geen echte poep was. En in feite was het heel lief van hem om de naam van onze volgende koningin met peperkoek op de muur te schrijven.

Peter Zinckens alias maakte er een behoorlijke troep van, (die hij na afloop van de show trouwens netjes opveegde) Bananen werden geplet, meer peperkoekstront werd op de vloer gegooid. Hij voerde een Chaplinneske Vitusdans op. Zong of schreeuwde zijn nederlandstalige liederen en onderhield het publiek. Een groots entertainer, echt. Zo groots dat hij de laatste tijd zelfs voor bruiloften werd uitgenodigd. Dan is Benidorm niet meer ver. En de eetkamer van Maxima en Alex eigenlijk ook niet.

We hebben nog heel lang nagevraagd bij de medewerkers van het festival wat Maxima dan gezegd had. Niemand wist het.Uiteindelijk trof ik het citaat twee dagen later in de krant aan. Ik was alweer in Duitsland, van Heerlen vertrokken waar ik een half uur op het perron naar de resultaten van een wolkbreuk kon luisteren terwijl ik las dat dè Nederlander niet bestond. In Herzogenrath raakte ik definitief doorweekt, toen ik over een noodbrug naar het eerste perron liep. Een groot deel van de krant liet ik in Mönchengladbach in de regionale trein naar Dortmund liggen. Het schemerde. Gelukkig hoefde ik niet al te lang op de volgende trein te wachten.

Top