|
Rinus van Alebeek
23 januari 2009
Untitled Document
Aantal reacties: 1
|
|
Het land was nog niet met ijs toegedekt. Dus daaraan lag het niet. Ook de eerste groeistuipen van een nieuw jaar hadden het ongemak niet veroorzaakt. Het oude jaar was immers nog niet ten einde. De winter was net een week oud. De volgende president van de wereld speelde golf op Hawaii. In de Arabische wereld lurkte de mannen nog gewoon urenlang aan hun koffie zonder zich bovenmatig op te winden. En het gekrakeel over de grote geldcrisis was al weer verstomd. Wie arm was, bleef verder arm en verwonderde zich niet langer waarom die crisis zijn leven niet indringend veranderde.
Ik zat in de trein, de hele snelle trein, die me van Wuppertal naar Berlijn bracht. Bij de Duitse Bahn was de financiele crisis voor de laagstbetaalden en steuntrekkers allang een feit. Wie in Duitsland een uitkering kreeg, ontving gewoon de helft van wat ooit in DeutschMark werd uitbetaald. Ik vraag me af of steuntrekkers ooit hun stad of dorp verlaten. Zonder kortingskaart betaal je voor vier uur in de trein naar Berlijn 96 Euro. Dat is een kwart van een uitkering. De Bahn deed wel aan liefdadigheid. Met het hele gezin des weekends in je eigen Bundesland treinen kostte 25 Euro. Maar dan mocht je alleen de boemel nemen. Een beperkt aantal treinkaartjes zijn vandaagdedag ook bij Lidl in de aanbieding, soms bij Tschibo.
Die ‘Die Bahn’ is sowieso een klein koninkrijk op zich. Ik weet niet hoe het met Uw algemene ontwikkeling is gesteld, maar ik ken geen enkel land ter wereld waar het Centraal Station op zichtafstand van de regeringsgebouwen is neergezet. In Berlijn is dat zo. Het gebouw met lichte Metropolis-trekken vanwege het mechanisch ballet van roltrappen dat zich vrijzwevend in de ruimte van vrijzwevende perronvlakken lijkt te bevinden, heeft ook iets van een reusachtige zetel, die Faraoïsch custom made is gemaakt voor de Heer Mehdorn, die deze job als opperste treinheer te danken heeft aan zijn vriend Schröder wiens Faraoïsche vanillekleurige zetel net iets eerder klaar was. Ze stonden zo dicht naast elkaar dat ze dezelfde staande asbak voor hun sigaar konden delen. Ik bedoel zo’n salonfähige asbak die bovenop een slanke chromen staander troont: een draaitolvormige houder met daarin een schaaltje waarin de as wordt opgevangen. Als je op een zwarte knop drukt, opent het schaaltje zich volgens een vernuftig systeem en verdwijnt de as. Ik kan me goed voorstellen dat de heren Mehdorn en Schröder om de beurt op de asverdwijnknop drukken.
De trein stond iets langer stil in Hannover. Ik neem de route vaker, en kom dan wel eens uit de ene dan weer uit de andere windstreek in deze stad aan. Nu weet ik dat Doris en Gerhard er wonen, maar dat is niet de reden dat een lichte opwinding zich iedere keer weer van mij meester maakt. Het valt niet te vergelijken met de evenementenbezoekopwinding; het is meer een soort van intelectuele verlichting, een vleugelslagverlichting met historische connotaties, de herinnering aan een hele dure doos met chocolade die ik in een ander leven ooit nooit voor een hartsfavoriet heb gekocht, maar dan anders. Ik moet altijd aan het Huis van Hannover denken, aan koningshuizen en onbeholpen politiek in een leeg woudovervloden Europa van lang geleê.
Politiek bedrijft men tegenwoordig misschien nog net zo onbeholpen. Interkoninklijke genenuitwisseling, zoals bij de paardenfokkerij, is er niet meer voor nodig. Maxima werkte bij de Duitse Bank. Mogelijkerwijs is dat ook een aanduiding ergens voor. Uit het treinraam bezien, met zicht op de beursgebouwen, zou ze zo in haar mantelpakje daar naar binnen kunnen lopen. Gebeurt niet. Een stem klinkt in mijn koptelefoon en uit alle andere luidsprekers in het treinstel. De reizigers worden in vertrouwen genomen. Maar niet alleen dat. In de buurt van de restauratiewagon is een piepklein kamertje ingericht met een intercomsysteem en een microfoon. De man die daar in de microfoon spreekt, kijkt uit op hetzelfde kale koude perron als ik, en ziet ook dat het om zes uur al bijna stikke donker is. Bij nader toehoren merk ik dat hij zich een beetje geneert. Maar misschien wil ik dat horen.
We staan namelijk iets langer stil dan normaal. Eindelijk dringen de nieuwe ‘”wir erwilkommen die zugestiegene Fahrgästen” reizigers het compartiment binnen. Ieder zoekt op zijn eigen omstandige wijze naar ruimte om de jas uit te trekken of de zware reiskoffers boven het hoofd te tillen en in de bagageruimte te schuiven. Onderwijl klinkt de mededeling dat de trein niet naar Wolfsburg zal rijden, wegens werkzaamheden aan het spoor, maar via Braunschweig en Maagdenburg zal worden omgeleid. Geruststellend klinkt het verder dat in Maagdenburg noch in Braunschweig zal worden gestopt.
Ik kijk recht in het verschrikte gezicht van een oudere dame en moet aan de filmen van Sergej Eisenstein denken. Van schrik verstarde gezichten bracht hij vol in beeld om de onwetende bioscoopbezoeker zonder verder veel bloedvergieten op de gruweldaden van het tsaristisch regime te wijzen. We zitten wél in de trein naar het oosten. De man in het crisiscentrum legt uit dat de snelle trein op de omweg niet snel kan rijden en dat we dus met een vertraging van 30 minuten tot een uur moeten rekenen. Dat hij niet precies weet te zeggen hoe veel vertraging we precies zullen oplopen, maakt de situatie ineens heel menselijk. De dame is krijsend opgestaan, sleept haar bezittingen achter zich aan en werkt zich tegen de stroom van nog steeds binnenkomende vaargasten naar de uitgang. Ze gebruikt haar stembanden en allerlei driftig gearticuleerds als claxon.
Zodra de trein het station verlaat en langzaam aan snelheid wint, weet ik dat ik onbekend land tegemoet ga. Mijn filmografische herinnering brengt me de beelden van Dokter Zhivago: ergens in het onmetelijke woudlandschap reed een trein met daarin het hoofdkwartier van de rode garde heen en weer. Maar ook de enige film van Lars van Trier die ik wellicht op vrijwillige basis nog een keer zou bekijken, Europa, doemt op in gedachten. Daar was het landschap nachtelijk, ondoordringbaar en koud. Aan het eind van de film reed een modeltrein langs bordkartonnen rotsen. Ik probeer iets te herkennen, breng mijn gezicht dicht naar het raam, niets. We passeren het station van Braunschweig, zonder dat het blijvende indrukken achterlaat. Kort daarna klinkt de stem weer uit alle luidsprekers. De werkzaamheden aan het spoor naar Wolfsburg zijn beeindigd. De trein zal afbuigen naar het oorspronkelijke traject en met twintig minuten vertraging in Wolfsburg aankomen. Mobieltjes worden voor de tweede keer uit de binnenzak genomen. Misschien zit de man in de kleine omroepcabine nu in zijn stoel. Roken mag hij niet. Wie weet, doet hij het stiekem toch: een sigaar die hij met de kerst van zijn chef heeft gekregen.
Top