Harry Prenger
13 maart 2004
Untitled Document
Eigenlijk moet ik niet zeuren. Het leven is overzichtelijk.
Misschien moet ik er zelfs dankbaar voor zijn. Neem nou het leven
als muziekliefhebber schuine streep platenkoper. Je zou mijn leven
in deze hoedanigheid uitermate simpel kunnen noemen. Platen zoeken,
maar ze ook vinden. De nieuwsgierigheid voeden, maar ze ook bedwingen.
Een lp eens een keer laten liggen en er later spijt van krijgen. Ach,
ik geef het toe, mijn wereld is beperkt en zit vol verborgen ongerief
en klein leed. De ware muziekliefhebber weet dit als geen ander. Soms
twijfel ik wel eens hardop aan het vinylgedoe; aan het ongedurige
bladeren door bakken met vinyl; aan het over de grond kruipen onder
diezelfde bakken met vinyl; aan het geouwehoer van de platenverkoper,
enfin, ik heb het er wel eens vaker over gehad. De laatste tijd droom
ik over platenzaken die er helemaal niet zijn. De droom illustreert
de honger die nooit stilt, maar aangewakkerd wordt, omdat je ooit
momenten van euforie zo intens beleefde dat je er de rest van je leven
naar op zoek blijft. Zoals de aankoop van je eerste singletje. Voor
de gewone sterveling een gebeurtenis zonder enige betekenis, voor
muziekliefhebbers niet minder dan een emotionele zondvloed. “Wat
moet je anders", zei onlangs een begripvolle platenverkoper tegen
me. Daar denk ik vaak over na. Wat moet je anders? Geen flauw idee.
Liefhebben kan omslaan in fundamentalisme, als gericht kopen eindigt
in rücksichtslos verzamelen. Alle remmen los tijdens beurzen
en rommelmarkten. Het verzamelen is voor de fundamentalist belangrijker
dan de muziek, elke aankoop een hebbeding, ongeacht de reden. Vaak
gaat het niet eens om de artistieke waarde, maar om twijfelachtige
motieven als herkomst van de persing, hoesontwerp, een bekende gastmuzikant
op blokfluit. Toch is de scheiding tussen het kopen van een plaat
puur om de muziek of een andere reden rekbaar. Misschien zou je eens
een andere maatstaf moeten gebruiken, bijvoorbeeld het gedrag van
het personeel in een platenwinkel. Er zijn immers verkopers die qua
arrogantie en desinteresse niet onderdoen voor hun collega’s
in de horecabranche. Zo bezocht ik nog niet zo lang geleden Get Records
in Amsterdam. Daar had een medewerker gewoon geen zin. Slechts met
grote moeite mompelde hij een antwoord op mijn vraag, terwijl hij
doodleuk cd’s stapelde en strak voor zich uit keek. Ook de al
eerder in dit blad besproken "halve man" van Da Capo hoef
je niet op een feestje uit te nodigen, zo heb ik diverse keren proefondervindelijk
vastgesteld. De “halve man” kijkt uit het raam, zegt weinig
tot niks en beschouwt plaatjes verkopen waarschijnlijk als het ergste
dat er is. Toch is het assortiment van Da Capo van dien aard dat je
de “halve man” graag op de koop toe neemt. Zijn houding
is namelijk niets vergeleken bij het stelletje moederneukers dat in
de jaren tachtig menig bezoekje aan het hoofdstedelijke Boudisque
verpestte. Als je al geholpen werd door het aanwezige personeel, gebeurde
dit met een enorm vertoon van minachting. Lang heeft dit niet geduurd.
In de platenwereld wil nog wel eens een sprankje gerechtigheid gloren.
Boudisque ging over de kop en keerde in afgeslankte vorm terug tot
wat het nu is: een patserig cd-hol.
Top