|
Subterranean Homesick Blues
|
|
Harry Prenger
9 april 2004
Untitled Document
Wanneer ik uit het raam kijk van het hotel Mercure
in Amsterdam zie ik in de verte de Bijlmer bajes. Tussen de gevangenisgebouwen
en mijn hotelkamer ligt het Amstel Business Park op apegapen. Het
begint al aardig te schemeren. De torenspits van het Delta Lloyd-gebouw
lijkt wel een vuurtoren. Enkele honderden meters naar rechts ligt
de Heineken Music Hall. Mijn kamer is klein en knus, de minibar goed
gevuld. Dan klopt Laura van de roomservice op de deur. Ik heb een
sandwich besteld. Op het moment dat ik de deur open, zie ik een ontvankelijke
glimlach in een open gezicht. Erg knap en slank dit meisje.
Maar de avond breng ik niet door met Laura van de
roomservice, nee, vanavond ga ik naar een optreden van een schriel
mannetje met een stem alsof je stukken behang van de muur scheurt.
Op de website belooft de Heineken Music Hall een intiem samenzijn.
Nou ja, wat is er intiem aan een kille veehal, waar ik later die avond
rondloop te midden van 3999 mannen en vrouwen van middelbare leeftijd.
Grijze slapen, grauwe koppen. De geilheid is hier lang geleden met
stille trom vertrokken. Hee, daar loopt Diewertje Blok. Met Dieuwertje
en Laura van de roomservice intiem in een donker achterafzaaltje?
Tja. Even later is het zover. De cast van Once Upon A Time In The
West betreedt het podium, gevolgd door een onooglijk mannetje in een
zwart pak. Bob Dylan dus. Opeens krijgen de ruim twintig jaar dat
ik naar zijn muziek luister een andere dimensie. Een mythe komt tot
leven. En hoe.
Bob is goed bij stem, al hangt het een beetje van
het liedje af. Dankzij een flamboyant arrangement is Desolation Row
bijna onherkenbaar. Menige song loopt best lekker zo, verpakt in een
groovende rock-’n-roll wals. Bob en de muzikanten in lange jassen
geven vierduizend toehoorders van katoen. Bob de pianoman schuifelt
na elke song vanachter zijn keyboard voor nader overleg; welk nummer
spelen we nu? Intussen nemen wij toeschouwers aan dat Bob zo dadelijk
met gitaar en al achter de microfoon vooraan op het podium gaat staan.
Helaas, voor de microfoon is onbedoeld een andere hoofdrol weggelegd.
Het ding groeit uit tot een monument van teleurstelling. Zelden in
de muziekgeschiedenis werd een zangmicrofoon zo moederziel alleen
gelaten. Geen Bob op gitaar, geen Bob frontaal voor de zaal, geen
Bob die je in de ogen kunt kijken. Toch maakt Bob Dylan er een onvergetelijke
show van.
Na het concert lig ik in het bed van mijn hotelkamer
en raak verzeild in een telefoongesprek tussen Larry Sloman en Chet
Flippo. Het gesprek is te lezen in On The Road With Bob Dylan, Slomans
prachtige, rauw-realistische relaas over de Rolling Thunder Revue-toer
van 1975. Het geklaag van Rolling Stoneredacteur Flippo over de bijdragen
van Sloman ontaardt pagina’s lang in een even waanzinnige als
hilarische dialoog. Ik laat het allemaal even bezinken: het concert
van Bob Dylan, de volzinnen van Sloman, Laura van de roomservice.
Ik leg het boek op het nachtkastje en denk aan de dingen die er niet
zijn en er waarschijnlijk nooit zullen komen. Voor het slapen gaan
nog effe kijken naar Pay TV, de eerste minuut gratis. De volgende
ochtend loop ik door het Stedelijk Museum en koop bij de Record Palace
een plaat van Cecil Taylor. ’s Middags ben ik weer thuis en
ga maar weer over tot de orde van de dag. Boodschappen doen bij de
Aldi.
Top